Please log in to view this content
Search Results for: slakken
Wortelen (Daucus carota)
Enkele Tips Om Meer Aardbeien Te Kweken Met Minder Moeite!

In deze podcast wil ik het graag hebben over aardbeien kweken. Daar valt ontzettend veel over te vertellen, maar ik ga me beperken tot een paar zaken. Dingen die wij misschien net iets anders doen dan gebruikelijk, en die jou misschien ook kunnen helpen. Ik ga drie punten bespreken.
Het eerste is: welke mulch gebruiken wij bij aardbeien? Plastic is een optie, stro, houtsnippers, en er zijn nog wel wat andere mogelijkheden. Hoe doen wij dat en waarom?
Het tweede punt gaat over de manier van kweken: hoe integreren we aardbeien in ons systeem, combineren we ze met andere gewassen, of doen we dat helemaal niet? En als we dat niet doen, waarom niet?
En het derde punt is een tip die jou misschien kan helpen om wat efficiënter met je ruimte om te gaan. Want als je graag veel aardbeien eet, wil je daar misschien niet meteen een groot stuk van je tuin aan besteden. Met dit idee kan je misschien toch meer aardbeien hebben zonder dat je veel plaats verliest. [Read more…]
45. Enkele Tips Om Meer Aardbeien Te Kweken Met Minder Moeite!

/
In deze podcast wil ik het graag hebben over aardbeien kweken. Daar valt ontzettend veel over te vertellen, maar ik ga me beperken tot een paar zaken. Dingen die wij misschien net iets anders doen dan gebruikelijk, en die jou misschien ook kunnen helpen. Ik ga drie punten bespreken.
Het eerste is: welke mulch gebruiken wij bij aardbeien? Plastic is een optie, stro, houtsnippers, en er zijn nog wel wat andere mogelijkheden. Hoe doen wij dat en waarom?
Het tweede punt gaat over de manier van kweken: hoe integreren we aardbeien in ons systeem, combineren we ze met andere gewassen, of doen we dat helemaal niet? En als we dat niet doen, waarom niet?
En het derde punt is een tip die jou misschien kan helpen om wat efficiënter met je ruimte om te gaan. Want als je graag veel aardbeien eet, wil je daar misschien niet meteen een groot stuk van je tuin aan besteden. Met dit idee kan je misschien toch meer aardbeien hebben zonder dat je veel plaats verliest.
Welke mulch onder aardbeien?
Klassiek worden aardbeien vaak op plastic gezet. Zo deed ik het zelf vroeger, toen ik klein was: je maakt een kleine rug van aarde, trekt daar een plastic strak overheen, begraaft die langs de randen zodat hij mooi gespannen ligt, maakt er gaten in, en daar plant je de aardbeien in. Dat werd en wordt nog steeds gedaan in de klassieke teelt, vermoed ik, maar toch zie je dat steeds minder gebeuren.
Daar zijn een paar evidente redenen voor. Om te beginnen: plastic. Dat is eigenlijk niet meer van deze tijd in een tuin. Het geeft afval, microplastics, en nog andere nadelen. Een ander probleem is dat die zwarte landbouwplastiek of worteldoek heel veel warmte aantrekt en vasthoudt. Dat lijkt op het eerste zicht een voordeel – in het voorjaar krijgen je planten een boost – maar op de lange termijn is het heel slecht voor je bodem. Die bodem wordt te warm, het bodemleven sterft af, en uiteindelijk krijgen je planten daaronder last. Zeker in de droge, hete zomers van de afgelopen jaren doen aardbeien het op plastic helemaal niet goed.
Daarna hebben we een tijdlang stro gebruikt. Stro was makkelijk verkrijgbaar, het zorgde ervoor dat de aardbeien niet op de grond lagen en vuil werden, het hield onkruid goed tegen en bleef redelijk lang liggen. Groen mulchmateriaal is moeilijker, omdat dat sneller verdwijnt. Dat moet je voortdurend aanvullen, en dat is tussen aardbeien die bloeien en uitlopers maken niet zo eenvoudig. Dus stro was lange tijd onze keuze, maar ook daar zijn we weer vanaf gestapt.
De belangrijkste reden is dat biologisch stro zeer moeilijk te vinden is. Het stro dat wij konden krijgen, kwam uit de gangbare landbouw. En dat heb ik eigenlijk niet graag in mijn tuin. Er is altijd kans op residuen van pesticiden of groeiremmers, en dat wil je niet in je bodem en zeker niet bij je aardbeien.
Daarom zijn we, omdat we ze zelf hebben en gemakkelijk kunnen maken uit onze houtkanten, overgestapt naar houtsnippers. En dat is echt ideaal.
Het past ook perfect bij aardbeien, want aardbeien zijn van nature bosplanten. Ze groeien het liefst in een bodem waar veel blad en houtresten aanwezig zijn, waar het bodemleven vooral uit schimmels bestaat. En dat zie je ook: aardbeien groeien fantastisch in houtsnippers, ze maken makkelijk uitlopers, blijven groot en gezond, en leveren een mooie oogst.
Daarnaast is het ook goed voor je bodem. Waar stro of plastic eigenlijk niets bijdragen, geven houtsnippers voeding aan je bodemleven, en dat over een lange periode. Ze breken langzaam af, geven mineralen vrij, houden de bodem bedekt en vochtig, en zorgen tegelijk dat je aardbeien schoon blijven. De vruchten liggen op de houtsnippers in plaats van in de aarde, waardoor ze niet vuil worden en ook minder snel rotten.
Nog een voordeel: houtsnippers drogen vrij snel op na regen. Daardoor liggen je aardbeien nooit lang nat en dat verkleint de kans op rot. En wat ook belangrijk is: houtsnippers maken het voor slakken minder aantrekkelijk. Het houdt ze niet volledig weg, maar omdat de laag vaak droog en ruw is, kruipen ze er minder graag over. Wij merken echt dat er op plekken met houtsnippers veel minder slakkenproblemen zijn.
Daarom mulchen wij onze aardbeien nu al vijf, zes, zeven jaar met houtsnippers, en dat werkt perfect.
Wij brengen die houtsnippers meteen aan bij het planten. Augustus–september is daar de beste periode voor: de uitlopers wortelen dan makkelijk, de jonge plantjes groeien nog goed door, en tegen het voorjaar zijn ze sterk genoeg om al een mooie oogst te geven.
Combineren of niet combineren?
We krijgen vaak de vraag: kan je aardbeien ook in combinatiesystemen zetten? Kan je ze combineren met andere gewassen? Wij doen dat eigenlijk niet.
De reden is eenvoudig: wij laten onze aardbeien drie jaar op dezelfde plaats staan. Dat maakt combineren moeilijk. Aardbeien groeien breed, maken uitlopers, en nemen op termijn een heel bed in beslag. Dat maakt het lastig om er nog iets anders tussen te zetten.
Daarom zetten wij aardbeien altijd in blokken. Bij ons is dat een eiland van 2,5 meter op 1,20 meter, maar dat kan ook kleiner. En in die blok zetten we enkel aardbeien, zonder combinaties.
We hebben het vroeger wel geprobeerd, bijvoorbeeld met look. Dat is een klassieke combinatie, omdat je beide rond dezelfde tijd plant: aardbeien in augustus–september, look in september–oktober. Op zich werkt dat, maar bij ons liep het vaak fout door tijdsgebrek. Knoflook moet je precies op tijd oogsten, niet te vroeg en niet te laat. Als je dat vergeet en het loof al afgestorven is, vind je de bollen nauwelijks terug tussen de aardbeien. Dat maakte het voor ons te omslachtig.
Tegenwoordig planten we onze look langs de randen van de paden, zodat die randen mooi gemarkeerd zijn. Zo hoeven we het niet meer te combineren met aardbeien.
In die blok met aardbeien laten wij de planten dus drie jaar staan. Dat heeft veel voordelen. Na het planten hoef je er nauwelijks nog iets aan te doen. Wij halen geen oud blad weg, geen uitlopers, behalve een paar die over het pad kruipen. Die gebruiken we dan om nieuwe planten op te kweken of door te geven. Maar verder laten we alles groeien.
Na het eerste jaar heb je al een mooie oogst. In het tweede jaar is de blok helemaal dichtgegroeid, met alle uitlopers van het eerste seizoen. Dan heb je een gigantische opbrengst.
Een ander voordeel van die dichte begroeiing is dat vogels veel minder aardbeien vinden. Wij spannen nooit netten over onze aardbeien, maar verliezen toch nauwelijks fruit. Alleen hier en daar een aardbei langs de rand, maar dat is verwaarloosbaar.
Aardbeien verdragen bovendien schaduw goed – het zijn bosplanten – dus dat dichte bladerdek is geen enkel probleem.
Het derde jaar laten we ze ook nog staan. Soms valt dat mee, soms tegen. In een droog, zonnig jaar heb je nog steeds een goede opbrengst, al wat minder dan in het tweede jaar. In een nat jaar kan er wat rot en schimmel ontstaan doordat het bladerdek te dicht is en de vruchten te lang nat blijven. Maar zelfs dan vinden wij dat de voordelen opwegen tegen de nadelen.
Na drie jaar halen we de blok weg. We snijden het loof af, gebruiken dat als mulch, trekken de planten uit en laten de bodem even rusten. Het mooie is dat de bodem onder zo’n blok dan in uitstekende conditie is. De houtsnippers zijn grotendeels verteerd, er zit veel organisch materiaal in de grond, en de structuur is rul en luchtig. Ideaal om daarna weer iets nieuws te zaaien of planten.
Meer efficiëntie
En dan dat derde punt: hoe kan je aardbeien efficiënt inpassen als je niet veel plaats hebt?
Wij hebben daar zelf lang mee geëxperimenteerd. Uiteindelijk hebben we een oplossing gevonden in combinatie met onze asperges.
Aardbeien en asperges blijken een perfecte match. Ze vragen hun aandacht op hetzelfde moment: tot eind juni. Daarna laat je beide gewassen gewoon doorgroeien. Asperges trek je niet meer, aardbeien pluk je niet meer. En aardbeien verdragen de schaduw die asperges later in het seizoen geven.
Wij gebruiken die combinatie nu al een tijd, en het werkt uitstekend. Maar hetzelfde principe kan je ook toepassen aan de randen van andere bedden.
Die randen blijven vaak ongebruikt, het is een overgangszone tussen pad en bed waar weinig staat. Daar kan je perfect aardbeien zetten. Het vraagt wat aanpassing – je kan de planten één of twee jaar laten staan, of na juni weghalen om de plaats weer vrij te maken – maar het is een mooie manier om extra opbrengst te halen zonder veel ruimte op te geven.
Samengevat
Mijn tips voor aardbeien: gebruik houtsnippers als mulch, laat de planten gerust twee of drie jaar staan, besteed geen tijd aan het verwijderen van uitlopers, en overweeg combinaties op plekken die anders onbenut blijven, zoals langs asperges of aan de randen van bedden.
Zo kan je met relatief weinig moeite veel aardbeien kweken, en tegelijk je bodem verbeteren. En geloof me: er is weinig dat kan tippen aan de smaak van een aardbei die je in je eigen tuin plukt.
Wat je hierboven leest, is een transcriptie van de podcast. Deze tekst bevat de hoofdpunten van de opname, maar is altijd beknopter dan het origineel. Wil je het volledige verhaal, met alle details, dan kan je best de opname bovenaan beluisteren!
Wil je het in je auto, tijdens het sporten of tuinieren beluisteren, dan is het misschien handig om dit via mijn Spotify-kanaal te doen: Je Eigen Perfecte Tuin
Kortschildkevers (Staphylinidae)
Merel (Turdus merula)
Gewone pad (Bufo bufo)
Heermoes (Equisetum arvense L.)
Dierbespreking: Kauw (Coloeus monedula)
Wellicht ken je ze wel, de rumoerige, zwarte vogels met een grijze kop. Ze zijn als het ware alomtegenwoordig. Ze staan er vooral om bekend dat ze hun nesten soms bouwen in schoorstenen waardoor schouwbrand mogelijk is. Een rooster plaatsen boven de schouwuitgang is hiervoor de oplossing.
Verspreiding
De kauw heeft een ruim verspreidingsgebied: geheel Europa, Noord- en Centraal-Azië, Noord-Afrika. Zowel in België als Nederland is de kauw een standvogel die algemeen voorkomt. Ze passen zich gemakkelijk aan en komen steeds meer voor in menselijke omgeving, ook in steden.
Portret
De kauw is een stuk groter dan een merel en heeft niet zoals een merel een oranje ring rond het oog. Een kauw heeft geen zwarte ogen zoals de andere kraaiachtigen maar grijs-witte ogen. Volwassen kauwen, zowel mannetjes als vrouwtjes zien er hetzelfde uit. Het zijn zwarte vogels met een grijze hals en grijs achterhoofd. Jonge kauwen hebben een zwarte kruin.
Kauwen in de vlucht lijken wat op duiven. Het zijn sociale vogels die onderling voedsel delen, los van de familiale band. De paartjes vormen zich al voor de vogels geslachtsrijp zijn en ze blijven levenslang trouw aan hun partner. Meestal zijn ze te zien in grote groepen.
Kauwen kunnen heel oud worden maar de cijfers lopen nogal uiteen van 15 jaar tot 60 jaar maar dat laatste is volgens sommige kenners sterk overdreven.
Kauwen zij niet enkel gemakkelijk te herkennen aan hun verenkleed maar ook aan hun roep: kakaka en varianten hiervan. Je kan ze ook vaak horen ‘babbelen’ met elkaar: dan is het een drukte van jewelste. Kauwen vechten nooit: ze hebben een rangorde die ze respecteren. Net als de andere kraaiachtigen zijn kauwen heel intelligente vogels.
Voortplanting
Kauwen nestelen voor de voortplanting meestal in kolonies. Ze nestelen in boomholtes, rotsspleten, op klippen, in oude nesten van torenvalken en bosuilen, onder dakpannen en in schoorstenen. Ze maken grote nesten door takken op elkaar te stapelen.
Beide partners werken aan de opbouw van het nest. De binnenkant waar de jongen zullen liggen wordt bekleed met zachte materialen zoals veren en droog gras.
Er is een legsel per jaar van vier tot zes groen- tot blauwachtige eieren. Het broeden is vooral de taak van het vrouwtje en duurt 15 tot 20 dagen. De jongen blijven 30 tot 35 dagen op het nest en daarna worden ze nog een viertal weken gevoed door de ouders.
Voedsel
De kauw is een alleseter: slakken, insecten, emelten, wormen, vruchten, zaden, knoppen, etensafval, kadavers. Zoals meestal bij vogels worden de jongen gevoed met enkel dierlijk voedsel. Jonge kauwen krijgen insecten, slakken en wormen te eten.
Zoals je wellicht al gezien hebt, zoeken kauwen hun voedsel vooral op de grond.
Ook al zijn het drukke vogels, ze hebben hun belang voor de tuin.
Dierbespreking: Winterkoninkje (Troglodytes troglodytes)
Nerveus ratelaartje
Het winterkoninkje herken je aan het kleine opgerichte staartje. Het is een klein vogeltje van ongeveer tien centimeter, bruin gekleurd, met een lichter gekleurde wenkbrauwstreep. Verder heeft het een kleine, spitse snavel om in allerlei spleten aan voedsel te geraken. Heel kenmerkend is de luide ratel, tot negentig decibel, die de mannetjes laten horen. Je kan dit leuke, kleine vogeltje dus van op grote afstand herkennen en beluisteren.
Waar het winterkoninkje te vinden is
Je vindt dit leuke vogeltje vooral terug in dichte vegetatievormen zoals de dichte ondergroei in tuinen en bossen. Hagen, houtkanten en ruigere vegetaties met eventueel klimop zijn heel geschikt. Hier kunnen makkelijk nesten in gebouwd worden. Veel nette aangeharkte tuinen in Vlaanderen en Nederland zijn voor de winterkoning minder geschikt. Winterkoninkjes houden van rommelhoekjes: dichte beplanting, een dicht bramenstruweel, takkenhopen, een takkenril, kreupelhout, tuinhuisjes, schuurtjes, stalletjes … Stel in enkele hoekjes van de tuin je snoeibeurt uit en wie weet krijg je dit leuke vogeltje dan op bezoek om een nestje te bouwen.
Hoe het zijn nest bouwt
Het nest is aan de buitenkant voornamelijk uit mos opgebouwd. Aan de binnenkant komen ook andere materialen aan bod, zoals veren en haartjes. De ingang van het nest is niet langs de bovenkant maar meestal langs de zijkant. In het vroege voorjaar begint het mannetje met het bouwen van allerlei nesten. Dit kunnen er makkelijk tussen de vijf en de tien zijn. Daarna bekijkt het vrouwtje nauwkeurig al deze nesten en kiest er dan haar favoriet uit om in te broeden. Sommige mannetjes hebben een vrouwtje per broedseizoen, andere hebben tot vier vrouwtjes.
Wat het eet
Het voedsel van de winterkoning bestaat voornamelijk uit kleine diertjes: allerlei insecten, rupsjes, spinnetjes, slakken, duizendpoten, larven die tussen blaadjes en in spleten worden gevonden, vrij dicht tegen de grond.
Eén van de grootste vijanden voor de winterkoning is stevig vriesweer of pakken sneeuw. Dan kunnen ze moeilijk aan voedsel geraken. Een winterkoninkje weegt ongeveer negen gram en verliest snel warmte. In koude nachten kunnen ze een groot vetpercentage verliezen, wat in een lange vriesperiode fataal kan zijn. Een oplossing hiervoor is dat verscheidene vogeltjes dicht bij elkaar kruipen tijdens deze koude.
Omdat winterkoninkjes gedurende de gehele winter insecten blijven eten zijn ze erg welkom in de tuin.
Nerveus ratelaartje