Please log in to view this content
Search Results for: slakken
Het Afbakenen Van Je Paden: Hoe En Met Wat?
In dit artikel bespreken we paden in de moestuin, met name hoe je deze kunt afbakenen. We kijken naar de verschillende materialen die je hiervoor kunt gebruiken, hun voor- en nadelen, en of afbakenen eigenlijk wel noodzakelijk is.
In een natuurlijke moestuin zien paden er anders uit dan in klassieke tuinen. Vaak wordt het pad elk jaar op een nieuwe plek aangelegd, gewoon als loopstrookje tussen groentevakken zonder vaste vorm. Bij ons werken we echter op sommige stukken met permanente bedden, wat inhoudt dat we ook vaste paden hebben. Onze bedden blijven op dezelfde plaats, wat het gebruik van paden ook voorspelbaar maakt en het onderhoud vereenvoudigt. Onze paden zijn gemiddeld zo’n 50 centimeter breed, wat handig is in ons systeem van schijnbare chaos. Dit soort indeling biedt ruimte om gemakkelijk met bakken en kruiwagens door de moestuin te bewegen.
Breedte van de Paden: Wat Past in Jouw Tuin?
Hoewel wij een breedte van 50 tot 60 centimeter aanhouden, kunnen moestuinpaden ook smaller zijn. Een breedte van 30 centimeter kan voor velen voldoende zijn, maar dit hangt af van hoe je werkt in de tuin en hoeveel ruimte je nodig hebt om erdoorheen te lopen. In de natuurlijke moestuin zal je mulchen en dat brengt soms wat onduidelijkheid mee. Bij het mulchen kan materiaal door vogels worden verplaatst of wat verwaaien, wat na verloop van tijd de ligging van je paden onduidelijk maakt. Dit betekent dat het moeilijker kan worden om te zien waar de paden liggen, vooral na een lange winter.
Bij een systeem met rechte bedden en rechte paden is het pad meestal nog te herkennen. Maar ook daar verspreidt mulchmateriaal zich vaak, waardoor het niet altijd duidelijk is waar het pad begint en het bed eindigt. Afbakening kan hierbij dus helpen om je paden en bedden te onderscheiden. Door duidelijke markeringen aan te brengen op de hoeken van de bedden, bijvoorbeeld een paaltje of een steen, zie je beter waar het pad loopt.
Paden Afbakenen in Organische Tuinstructuren
In tuinen met organische structuren, zoals een boom- of bladnerfstructuur, is het na de winter bijna onmogelijk om nog te weten waar de paden liggen. Dit hebben we zelf ervaren, en we hebben verschillende oplossingen uitgeprobeerd om paden herkenbaar te houden. Zo voorkom je dat je in het vroege voorjaar, als je begint met voorbereiden, planten en zaaien, per ongeluk op bedden loopt of op verkeerde plekken zaait.
Het afbakenen van paden is overigens geen vereiste. Bij rechte bedden kan een paaltje of steen op de hoeken al genoeg zijn. Met deze eenvoudige markering heb je in principe geen duidelijke afscheiding nodig. Maar als je een vast pad hebt en het handig vindt om het pad met planten of andere structuren af te bakenen, zijn er zeker voordelen. Het maakt het gemakkelijker om in de winter en vroege lente te zien waar je moet lopen, vooral als je werkt met een organisch ontwerp zonder vaste lijnen.
De meeste mensen hebben afbakening alleen nodig in het vroege voorjaar, wanneer de bedden nog niet vol planten staan. In de winter en herfst, als je nauwelijks op de bedden loopt, is een duidelijke markering niet echt nodig. In het voorjaar, vooral tussen februari en april, is afbakening nuttig, omdat je dan voorbereidingen treft voor het planten en zaaien. Na deze periode wordt het verschil tussen pad en bed vanzelf duidelijker door de groei van planten.
Manieren om Paden af te bakenen
Er zijn tal van manieren om paden af te bakenen. Wij hebben onze lange bedden onderverdeeld in ‘eilandjes’ om de structuur van schijnbare chaos overzichtelijk te houden. We gebruiken hiervoor paaltjes die om de 2,5 meter in de grond worden geslagen om deze eilandjes te markeren. Aan deze paaltjes binden we touwen, een eenvoudige manier om paden zichtbaar te maken. Het is echter niet de meest aantrekkelijke oplossing, en na enkele jaren moeten we de touwen vervangen. Voor een tuin met rechte paden werkt deze methode prima, maar er zijn genoeg alternatieven voor wie iets anders wil gebruiken.
Materialen voor Afbakening van Paden
Hieronder bespreken we enkele materialen die je kunt gebruiken voor het afbakenen van paden, evenals de voor- en nadelen:
- Touwen
Touwen zijn eenvoudig en snel aan te brengen. Ze bieden een heldere visuele afbakening, maar hebben als nadeel dat ze na enkele jaren vervangen moeten worden. Dit maakt het een gemakkelijke, maar tijdelijke oplossing. - Ingegraven Glazen Flessen
Een decoratieve optie is om glazen flessen omgekeerd in te graven. Dit geeft een unieke uitstraling, maar oogt wat minder natuurlijk. - Boomstammetjes, Balken of Planken
Boomstammetjes of planken, bij voorkeur onbehandeld hout, kunnen aan de randen worden geplaatst. Behandeld hout is af te raden, omdat de chemicaliën die worden gebruikt om hout te bewerken schadelijk kunnen zijn voor de bodem en de planten. - Gevlochten Hazelaar- of Wilgentakken
Een ander alternatief is een laag vlechtwerk met hazelaar- of wilgentakken. Dit oogt natuurlijk en kan enkele jaren meegaan, afhankelijk van de kwaliteit van het hout. - Bakstenen of Kasseien
Bakstenen kunnen half ingegraven worden of schuin gestapeld. Kasseien zijn ook een goede optie, vooral wanneer je deze over hebt. Het voordeel is dat ze duurzaam zijn en jarenlang meegaan. Een nadeel van vaste structuren zoals stenen is dat onkruid zich hier gemakkelijker tussen nestelt, wat het onderhoud bemoeilijkt. Ook kunnen slakken zich verschuilen tussen stenen of planken, wat een probleem kan zijn omdat ze zo dichtbij je gewassen zitten.
Voorkeur voor Natuurlijke Afbakening met Planten
In plaats van vaste structuren kiezen we vaak voor natuurlijke afbakening met planten. Dit biedt een natuurlijke uitstraling en vraagt minder onderhoud. Wij gebruiken bijvoorbeeld graag look langs de randen van de paden. Look wordt in het najaar geplant en groeit in de winter door, wat het pad goed zichtbaar maakt. Het mooie is dat je look ook kunt oogsten in mei, net als de bedden goed begroeid raken. Zo heeft look een dubbele functie: het markeert de paden en biedt een oogstbaar gewas.
Andere planten die geschikt kunnen zijn voor het markeren van paden:
- Bieslook in soorten
Deze plant groeit in kleine bosjes die de randen duidelijk afbakenen. Bieslook verdwijnt in de winter, maar komt al vroeg in het voorjaar op, waardoor de paden opnieuw zichtbaar worden. - Primula’s (Sleutelbloem)
Sleutelbloemen zijn lage planten met eetbare bloemetjes, en ze zijn ook aantrekkelijk voor bestuivers. In de winter verdwijnen ze niet volledig, en ze bloeien vroeg in het voorjaar met eetbare bloemen, wat helpt om de paden te markeren. - Tijm
Tijm kan als afbakening dienen, maar vraagt wel veel onderhoud. De plant moet regelmatig worden teruggesnoeid en/of herplant, anders wordt deze te breed en neemt ze waardevolle ruimte in beslag.
Extra Planten die Eventueel Geschikt Zijn voor Afbakening
Wij hebben veel planten uitgeprobeerd en gemerkt dat sommige beter werken dan andere. Planten zoals vrouwenmantel, salie en maartse viooltjes kunnen als randbeplanting dienen. Deze groeien echter vaak snel en nemen veel ruimte in. Wij houden het daarom bij een beperkt aantal soorten: voornamelijk look, bieslooksoorten en sleutelbloem.
Door te experimenteren ontdekten we dat look en bieslook onze voorkeur hebben. Ze zijn eenvoudig aan te planten, vragen weinig onderhoud, en zorgen voor een duidelijke afbakening zonder dat je er veel extra werk aan hebt. Ook blijven look en bieslook de paden jarenlang markeren doordat deze zich goed vermeerderen.
Afhankelijk van de bedoeling van de tuin, de breedte van de paden en je eigen goesting kan je voor vele andere hogere, bredere soorten gaan. Maar als je voornamelijk voedsel wilt kweken en optimaal gebruik wilt maken van je oppervlakte, blijven de opties in onze ervaring redelijk beperkt.
Nog meer Ideeën en Experimenteren in de Moestuin
De keuze voor een bepaald type afbakening hangt af van wat je doel is, hoe breed je paden zijn en hoeveel plantruimte je bereid bent te verliezen. Ons advies is om zelf te experimenteren en met een klein stuk te beginnen voordat je je hele tuin met planten of structuren afbakent. Zo ontdek je wat voor jouw tuin het beste werkt en welke keuzes praktisch zijn voor het onderhoud.
Wij geven zelf de voorkeur aan planten als afbakening boven vaste structuren zoals stenen en planken, omdat planten eens geplant jarenlang de grens blijven aangeven, weinig werk vragen en ondertussen nog op verschillende manieren opbrengst leveren. Als je nog geen planten gebruikt om je paden te markeren, raden we aan om dit eens te proberen. Wellicht ontdek je dat een natuurlijke afscheiding niet alleen praktisch is, maar ook esthetisch iets toevoegt aan je tuin. Experimenteer gerust, zodat je leert wat voor jou het beste werkt.
17. Het Afbakenen Van Je Paden: Hoe En Met Wat?

/
In deze podcast bespreken we paden in de moestuin, maar met name hoe je deze kunt afbakenen. We kijken naar de verschillende materialen die je hiervoor kunt gebruiken, hun voor- en nadelen, en of afbakenen eigenlijk wel noodzakelijk is.
In een natuurlijke moestuin zien paden er anders uit dan in klassieke tuinen. Vaak wordt het pad elk jaar op een nieuwe plek aangelegd, gewoon als loopstrookje tussen groentevakken zonder vaste vorm. Bij ons werken we echter op sommige stukken met permanente bedden, wat inhoudt dat we ook vaste paden hebben. Onze bedden blijven op dezelfde plaats, wat het gebruik van paden ook voorspelbaar maakt en het onderhoud vereenvoudigt. Onze paden zijn gemiddeld zo’n 50 centimeter breed, wat handig is in ons systeem van schijnbare chaos. Dit soort indeling biedt ruimte om gemakkelijk met bakken en kruiwagens door de moestuin te bewegen.
Breedte van de Paden: Wat Past in Jouw Tuin?
Hoewel wij een breedte van 50 tot 60 centimeter aanhouden, kunnen moestuinpaden ook smaller zijn. Een breedte van 30 centimeter kan voor velen voldoende zijn, maar dit hangt af van hoe je werkt in de tuin en hoeveel ruimte je nodig hebt om erdoorheen te lopen. In de natuurlijke moestuin spelen zal je mulchen en dat brengt soms wat onduidelijkheid mee. Bij het mulchen kan materiaal door vogels worden verplaatst of wat verwaaien, wat na verloop van tijd de ligging van je paden onduidelijk maakt. Dit betekent dat het moeilijker kan worden om te zien waar de paden liggen, vooral na een lange winter.
Bij een systeem met rechte bedden en rechte paden is het pad meestal nog te herkennen. Maar ook daar verspreidt mulchmateriaal zich vaak, waardoor het niet altijd duidelijk is waar het pad begint en het bed eindigt. Afbakening kan hierbij dus helpen om je paden en bedden te onderscheiden. Door duidelijke markeringen aan te brengen op de hoeken van de bedden, bijvoorbeeld een paaltje of een steen, zie je beter waar het pad loopt.
Paden Afbakenen in Organische Tuinstructuren
In tuinen met organische structuren, zoals een boom- of bladnerfstructuur, is het na de winter bijna onmogelijk om nog te weten waar de paden liggen. Dit hebben we zelf ervaren, en we hebben verschillende oplossingen uitgeprobeerd om paden herkenbaar te houden. Zo voorkom je dat je in het vroege voorjaar, als je begint met voorbereiden, planten en zaaien, per ongeluk op bedden loopt of op verkeerde plekken zaait.
Het afbakenen van paden is overigens geen vereiste. Bij rechte bedden kan een paaltje of steen op de hoeken al genoeg zijn. Met deze eenvoudige markering heb je in principe geen duidelijke afscheiding nodig. Maar als je een vast pad hebt en het handig vindt om het pad met planten of andere structuren af te bakenen, zijn er zeker voordelen. Het maakt het gemakkelijker om in de winter en vroege lente te zien waar je moet lopen, vooral als je werkt met een organisch ontwerp zonder vaste lijnen.
De meeste mensen hebben afbakening alleen nodig in het vroege voorjaar, wanneer de bedden nog niet vol planten staan. In de winter en herfst, als je nauwelijks op de bedden loopt, is een duidelijke markering niet echt nodig. In het voorjaar, vooral tussen februari en april, is afbakening nuttig, omdat je dan voorbereidingen treft voor het planten en zaaien. Na deze periode wordt het verschil tussen pad en bed vanzelf duidelijker door de groei van planten.
Manieren om Paden af te bakenen
Er zijn tal van manieren om paden af te bakenen. Wij hebben onze lange bedden onderverdeeld in ‘eilandjes’ om de structuur van schijnbare chaos overzichtelijk te houden. We gebruiken hiervoor paaltjes die om de 2,5 meter in de grond worden geslagen om deze eilandjes te markeren. Aan deze paaltjes binden we touwen, een eenvoudige manier om paden zichtbaar te maken. Het is echter niet de meest aantrekkelijke oplossing, en na enkele jaren moeten we de touwen vervangen. Voor een tuin met rechte paden werkt deze methode prima, maar er zijn genoeg alternatieven voor wie iets anders wil gebruiken.
Materialen voor Afbakening van Paden
Hieronder bespreken we enkele materialen die je kunt gebruiken voor het afbakenen van paden, evenals de voor- en nadelen:
- Touwen
Touwen zijn eenvoudig en snel aan te brengen. Ze bieden een heldere visuele afbakening, maar hebben als nadeel dat ze na enkele jaren vervangen moeten worden. Dit maakt het een gemakkelijke, maar tijdelijke oplossing. - Ingegraven Glazen Flessen
Een decoratieve optie is om glazen flessen omgekeerd in te graven. Dit geeft een unieke uitstraling, maar oogt wat minder natuurlijk. - Boomstammetjes, Balken of Planken
Boomstammetjes of planken, bij voorkeur onbehandeld hout, kunnen aan de randen worden geplaatst. Behandeld hout is af te raden, omdat de chemicaliën die worden gebruikt om hout te bewerken schadelijk kunnen zijn voor de bodem en de planten. - Gevlochten Hazelaar- of Wilgentakken
Een ander alternatief is een laag vlechtwerk met hazelaar- of wilgentakken. Dit oogt natuurlijk en kan enkele jaren meegaan, afhankelijk van de kwaliteit van het hout. - Bakstenen of Kasseien
Bakstenen kunnen half ingegraven worden of schuin gestapeld. Kasseien zijn ook een goede optie, vooral wanneer je deze over hebt. Het voordeel is dat ze duurzaam zijn en jarenlang meegaan. Een nadeel van vaste structuren zoals stenen is dat onkruid zich hier gemakkelijker tussen nestelt, wat het onderhoud bemoeilijkt. Ook kunnen slakken zich verschuilen tussen stenen of planken, wat een probleem kan zijn omdat ze zo dichtbij je gewassen zitten.
Voorkeur voor Natuurlijke Afbakening met Planten
In plaats van vaste structuren kiezen we vaak voor natuurlijke afbakening met planten. Dit biedt een natuurlijke uitstraling en vraagt minder onderhoud. Wij gebruiken bijvoorbeeld graag look langs de randen van de paden. Look wordt in het najaar geplant en groeit in de winter door, wat het pad goed zichtbaar maakt. Het mooie is dat je look ook kunt oogsten in mei, net als de bedden goed begroeid raken. Zo heeft look een dubbele functie: het markeert de paden en biedt een oogstbaar gewas.
Andere planten die geschikt kunnen zijn voor het markeren van paden:
- Bieslook in soorten
Deze plant groeit in kleine bosjes die de randen duidelijk afbakenen. Bieslook verdwijnt in de winter, maar komt al vroeg in het voorjaar op, waardoor de paden opnieuw zichtbaar worden. - Primula’s (Sleutelbloem)
Sleutelbloemen zijn lage planten met eetbare bloemetjes, en ze zijn ook aantrekkelijk voor bestuivers. In de winter verdwijnen ze, maar ze bloeien vroeg in het voorjaar met eetbare bloemen, wat helpt om de paden te markeren. - Tijm
Tijm kan als afbakening dienen, maar vraagt wel veel onderhoud. De plant moet regelmatig worden teruggesnoeid en/of herplant, anders wordt deze te breed en neemt het waardevolle ruimte in beslag.
Extra Planten die Eventueel Geschikt Zijn voor Afbakening
Wij hebben veel planten uitgeprobeerd en gemerkt dat sommige beter werken dan andere. Planten zoals vrouwenmantel, salie en maartse viooltjes kunnen als randbeplanting dienen. Deze groeien echter vaak snel en nemen veel ruimte in. Wij houden het daarom bij een beperkt aantal soorten: vnl. look, bieslooksoorten en sleutelbloem.
Door te experimenteren ontdekten we dat look en bieslook onze voorkeur hebben. Ze zijn eenvoudig aan te planten, vragen weinig onderhoud, en zorgen voor een duidelijke afbakening zonder dat je er veel extra werk aan hebt. Ook blijven look en bieslook de paden jarenlang markeren doordat deze zich goed vermeerderen.
Afhankelijk van de bedoeling van de tuin, de breedte van de paden en je eigen goesting kan je voor vele andere hogere, bredere soorten gaan. Maar als je voornamelijk voedsel wilt kweken en optimaal gebruik womt maken van je oppervlakte, blijven de opties in onze ervaring redelijk beperkt.
Nog meer Ideeën en Experimenteren in de Moestuin
De keuze voor een bepaald type afbakening hangt af van wat je doel is, hoe breed je paden zijn en hoeveel plantruimte je bereid bent te verliezen. Ons advies is om zelf te experimenteren en met een klein stuk te beginnen voordat je je hele tuin met planten of structuren afbakent. Zo ontdek je wat voor jouw tuin het beste werkt en welke keuzes praktisch zijn voor het onderhoud.
Wij geven zelf de voorkeur aan planten als afbakening boven vaste structuren zoals stenen en planken, omdat planten eens geplant jarenlang de grens blijven aangeven, weinig werk vragen en ondertussen nog op verschillende manieren opbrengst leveren. Als je nog geen planten gebruikt om je paden te markeren, raden we aan om dit eens te proberen. Wellicht ontdek je dat een natuurlijke afscheiding niet alleen praktisch is, maar ook esthetisch iets toevoegt aan je tuin. Experimenteer gerust, zodat je leert wat voor jou het beste werkt.
Dierbespreking: De mol (Talpa europea)
Wellicht is je het al opgevallen dat de mollen heel actief zijn, reeds van begin februari. In de herfst en in de lente verschijnen de molshopen massaal, tot ongenoegen van veel tuin- en vooral gazonbezitters. Maar heb je een verse molshoop al eens van dichterbij bekeken? Het is fijnkorrelige grond zoals vruchtbare grond hoort te zijn.
Beschrijving
De mol is een zoogdier dat voorkomt in het grootste deel van Europa en Azië, maar niet in het uiterste zuiden en het uiterste noorden.
Een mol is niet langer dan vijftien centimeter en zijn rolronde lichaam heeft een diameter van ongeveer vijf centimeter. Hij draag een kort staartje. De vrouwtjes zijn iets kleiner dan de mannetjes.
De pels is fluweelzacht, op de rug donkergrijs tot zwart en op de buik iets lichter van kleur. De haren van de pels staan niet in één richting maar hij kan ze in alle richtingen leggen. Daardoor kan een mol zich zowel vooruit als achteruit door zijn gangen bewegen.
Zijn snuit is spits, met slechts enkele verspreid staande haren. Die zijn ruim voorzien van zenuwen en bloedvaten waardoor ze een zeer gevoelig tastorgaan vormen. Een mol in niet blind maar heeft slechts minieme oogjes waar de haren overheen vallen. Men vermoedt dat hij niet erg goed ziet, maar het is natuurlijk ook donker daar in de grond en zijn tastzin is belangrijker.
Zijn voorpoten lijken eerder op schopjes met scherpe nagels, ideaal om gangen te graven. Zijn voorpoten wijzen altijd naar buiten. Zijn achterpoten zijn minder sterk, ze hebben ook een heel andere functie, ze duwen de losgemaakte aarde naar achter.
Vanwaar al die molshopen?
De mol brengt zo goed als heel zijn leven door in de onderaardse tunnels. Het woord mol komt van het oud-Duitse ‘molte’ dat ‘aarde’ betekent. Hij graaft hele gangenstelsels van enkele centimeters onder de grond tot soms een meter diep.
Hij boort zich daarvoor in de grond met ingetrokken kop en zijn graafschopjes naar voor om met volle kracht de aarde los te maken. Een deel van de losgemaakte aarde drukt hij met zijn lichaam tegen de wanden om ze te verstevigen en de overtollige grond duwt hij af en toe schuin naar buiten. Wij zien daar de molshopen verschijnen die naast de gang liggen.
De gangen, die dicht tegen de oppervlakte liggen, gebruikt hij om voedsel te zoeken. De nestkamer bevindt zich in de diepere gangen. De grootste molshoop bevindt zich boven de nestholte. Dit is een bredere gang tot twintig centimeter diameter en van waaruit meerdere zijgangen vertrekken. Het slaapnest wordt gemaakt met allerlei droog materiaal dat de mol boven komt halen. Hij graaft ook een systeem van gangen die als drainagebuizen het water afvoeren, het nest moet immers droog blijven.
In de vroege lente gaan de mannelijke mollen op zoek naar een vrouwtje. Enkel voor het paren zoeken ze elkaar op, de rest van het jaar leven ze apart. In deze periode verschijnen er telkens meer molshopen. Ze graven nu ook hun nest.
In de herfst valt het eveneens op dat er veel molshopen komen. Jonge mollen, zo’n twee maanden oud, worden dan uit het nest verdreven en moeten op zoek naar en eigen territorium, dus een eind weg. Ze moeten een plek zien te vinden met voldoende voedsel, zeker met de winter voor de deur. Mollen doen geen winterslaap en hebben daarom nood aan een territorium waar veel voedsel voorhanden is.
Voortplanting
De paartijd is, afhankelijk van de weersomstandigheden, van maart tot april, maar dit jaar zijn ze, wellicht door het warme weer, er eerder vroeg bij. Na 4 tot 6 weken worden de jongen geboren in het werpnest dat zo’n dertig centimeter diameter heeft. Het is afgewerkt met gras, bladeren en takken.
De pasgeboren jongen zijn blind, naakt en ze hebben een roze kleur. Gemiddeld zijn er drie tot vier jongen en meestal is er een worp per jaar. Na twee weken begint de pels te groeien. Na vijf weken kunnen ze het nest verlaten; in februari van het volgende jaar zijn ze geslachtsrijp.
Voedsel
Mollen moeten elke dag hun eigen gewicht aan voedsel opnemen om te gedijen, ook in de winter. Mollen zijn pure vleeseters en ze zijn beperkt tot wat zich in de grond bevindt. Als ze wormen eten, hebben ze geen behoefte aan water. Een mol overleeft niet als hij enkele uren geen voedsel heeft.
Hij doorloopt al zijn jachtgangen om de drie à vier uur op zoek naar voedsel. Hij eet regenwormen, pissebedden, spinnen, duizendpoten, kikkers, muizen, naaktslakken, rupsen, kevertjes, insectenlarven waaronder emelten.
Om niet van honger om te komen, legt hij voorraden aan van regenwormen als er veel zijn. Hij bijt hun kop af zodat ze niet weg kunnen. Men heeft eens een voorraadkamer gevonden met meer dan twee kilo aan regenwormen en engerlingen.
Belang
Een mol is belangrijk voor de tuin omdat hij de grond luchtig maakt, draineert en bovendien heel wat dieren eet die we liever niet in overmaat in de tuin hebben.
Maar ook voor het ecosysteem is hij belangrijk. De grond die de mol naar boven brengt is fijnkorrelige grond die ideale zaaigrond is. Hij maakt een plek vrij waar pioniersplanten kunnen ontkiemen, zelfs in een gazon of een andere dichtbegroeide plek waar ze anders niet terecht kunnen.
Oude molshopen worden door konijnen gebruikt om hun keutels op te leggen en zo hun territorium af te bakenen.
Wees tevreden als je molshopen ziet verschijnen, je weet dat een actieve medewerker dan aan het werk is die je planten ongemoeid laat. En in het gazon? Hij eet emelten die de wortels van het gras eten en je gazon om zeep helpen. Die hoopjes korrelige aarde neem je er dan maar bij of je gebruikt ze als zaaigrond of je harkt ze open om je grond te verbeteren.
Elke levensvorm heeft zijn belang, zelfs als jij het niet leuk vindt!
Extra Informatie
Kruiden vermenigvuldigen en onderhoud
Standplaats
Heel wat keukenkruiden komen uit het Middellandse Zeegebied en vragen dan ook een zonnige en beschutte standplaats. 95% van de kruiden hebben zon nodig om hun etherische oliën te vormen.
Sommige planten verlangen schaduw: kervel, hondsdraf , peterselie …
Kruiden met een soepel, weinig stevig blad met een relatief groot bladoppervlak hebben meestal veel vocht nodig. Planten met harde, smalle, leerachtige bladeren verdampen minder en geven meestal aan dat de plant niet veel vocht nodig heeft of verdraagt.
Veel aromatische kruiden uit het Zuiden houden van een stenige ondergrond.
1. Vermenigvuldigen
Zaaien
Er kan ter plaatse gezaaid worden of vooraf binnen in potjes.
Basilicum bijvoorbeeld is zeer vorstgevoelig en mag niet buiten voor de IJsheiligen (half mei).
Aandacht :
Vorstkiemers zoals kamille, roomse kervel moeten een koudeprik krijgen voor ze ontkiemen. Lichtkiemers zoals bonenkruid, basilicum … hebben licht nodig om te ontkiemen. Dek ze dus niet teveel toe.
Engelwortel en lavas verliezen gemakkelijk hun kiemkracht als het zaad het contact met de grond verliest. Je kan dus beter deze planten zichzelf laten uitzaaien en de jonge plantjes op de gewenste plaats zetten.
Spontane uitzaaiing gaat voor veel kruiden heel goed.
Doorlevende planten
Veel planten laten zich vermeerderen door te scheuren of te delen, zoals bv. tijm, marjolein, Chinese bieslook, citroenmelisse, fuchsia …
Kruiden met een vlezige wortel kan je splitsen ofwel met een spade in grote stukken ofwel met een mes in kleinere stukken. Zo kan je elke groeitop apart zetten en laten uitgroeien tot een nieuwe plant. Dit kan met lavas, smeerwortel, hosta …
Andere, halfheesters, kan je afleggen zoals salie, tijm … vooral als de plant te oud en houterig geworden is om diep in te snoeien.
Het is ook mogelijk om stekken te maken. Stekken kan je maken op verschillende manieren. Bij bladverliezende planten zoals vijgen, bessen … knip je, als het blad gevallen is, een tak van (meestal) eenjarig hout af. Onderaan knip je de tak schuin af net onder een oog en bovenaan net boven een oog. Zorg voor een lengte van ongeveer 25 à 30 cm. Dan steek je de stek in een pot met compost, hou hem vochtig maar niet nat. Hou de stek ook uit de zon.
Halfheesters zoals lavendel, salie, citroenverbena, rozemarijn, bonenkruid … kan je best stekken in april als de groei op gang komt. Zorg er dan wel voor dat de plant niet gesnoeid is in de 2de helft van het jaar. Meestal maak ik stekken op het ogenblik dat ik de struiken ga snoeien. Dan heb je veel snoeihout om stekken te maken.
Je knipt of scheurt een takje af van de plant. Als je de takjes afscheurt heb je een hielstek. Dit wil zeggen dat onderaan waar het takje is afgescheurd een schuin afgetrokken stukje is, een hieltje. De stek maak je niet langer dan 8 à 10 cm. Alle blaadjes wrijf je eraf behalve 1 à 2 blaadjes bovenaan.
Knip je een takje af, knip het schuin af met een scherp mes, dit is een stengelstek. Je kan bij langere takjes om de 10 cm weer een nieuwe stek maken. Telkens wrijf je alle blaadjes eraf behalve 1 à 2 blaadjes bovenaan. Beide soorten stekken gaan tot boven in de compost in een potje, enkel de blaadjes steken nog boven. Hou ze vochtig en warm maar niet nat. Zet ze niet in de zon.
2. Onderhoud
Het onderhoud van kruiden bestaat bijna uitsluitend uit het snoeien en soms het teveel weghalen.
Snoeien
Mediterrane kruiden zoals salie, lavendel worden best gesnoeid in augustus om jonge scheuten te maken. Die overwinteren beter. In maart-april wordt een tweede en korte snoei gegeven. Je kan er ook voor kiezen om enkel in het voorjaar te snoeien en niet in de zomer.
De bedoeling van het snoeien is vooral de plant jong te houden. In de natuur gebeurt dit het jaar door wanneer dieren van de planten eten. Zelf kan je dat ook doen als je gebruik maakt van de kruiden door ze telkens diep af te snijden, dan zal je zien dat ze nieuwe ogen en jonge takjes aanmaken.
Als je in het voorjaar snoeit, als de groei op gang komt, kan je goed zien hoe diep er nog oogjes uitlopen. Als je hierop let, kan je niet te diep snoeien. Als je de planten elk jaar diep snoeit, kan er ook niets misgaan, dan mag je ze telkens gewoon diep afsnijden. Zo krijg je mooi bossige planten.
Aantasting
Kruiden zijn over het algemeen weinig gevoelig voor ziekten. Meestal betekent aantasting of ziekte dat de omstandigheden voor de plant niet goed zijn: te dicht op elkaar, te weinig verluchting, te vochtig …
Kruiden en hun functie in de tuin
Vermits we in permacultuur proberen de verschillende elementen in de tuin zoveel mogelijk functies te laten vervullen, zijn er meerdere planten die op diverse manieren meehelpen onze tuin tot een samenwerkend geheel te maken. De verschillende elementen overlappen elkaar vaak en helpers zijn dikwijls ook prooien.
De meeste planten die behulpzaam zijn in de tuin, zijn nog op tal van andere vlakken bruikbaar, bijvoorbeeld als voedsel of toekruid in de keuken, als medicinaal of theekruid, als grondstof voor meubels en zo meer. Maar daarover gaan we het hier niet hebben.
In de tuin kunnen planten dienst doen als beschutting, afsluiting, bodemverbeteraars, plantenbeschermers, voedselleveranciers voor de medewerkers en als bron van welbevinden en genot in de tuin.
Beschutting
Haag, heg of houtkant
Voor een heg of houtkant gebruiken we vooral inheemse bloeiende en besdragende struiken. Ze bieden een onderkomen aan vele soorten vogels, insecten en kleine zoogdieren waarvoor ze ook een corridor zijn waar ze zich onopvallend doorheen kunnen verplaatsen. Daarnaast bieden de besdragende struiken ook voedsel voor de vogels die we graag in onze tuin hebben als opruimers van insecten en slakken.
Je kan echter ook bessenstruiken als afscherming zetten. Kruisbessen blijven laag maar zijn goed bestand tegen wind. Ook andere bessenstruiken kan je als een haag laten fungeren en zo zorgen voor een afremming van de wind. Langs een draad kan je frambozen, braambessen, Japanse wijnbes of taybessen laten groeien. Vooral de taybessen en de braambessen vormen een goede beschutting omdat ze hun blad lang houden. Stekelige planten vinden wij niet zo leuk maar voor vogels vormen ze een extra bescherming.
Voedselleveranciers en nestgelegenheid voor de medewerkers
We willen samenwerken met de natuur en we stellen het werk van de spontane bewoners van onze tuin ten zeerste op prijs. Daarom is het belangrijk ervoor te zorgen dat ze voedsel, water en nestgelegenheid vinden in onze tuin.
a) Vogels
Inheemse, besdragende struiken leveren voedsel in de vorm van bessen en insecten. Eénstijlige en tweestijlige meidoorn, sleedoorn en hondsroos zijn aantrekkelijk als nestelplaatsen en leveren bovendien bessen. Samen met de vlier en de lijsterbes zijn ze vooral gegeerd door lijsterachtigen zoals de merel, de grote lijster, de zanglijster … Rozebottels trekken de groenling aan. Kardinaalsmuts lokt het roodborstje en draagt bovendien prachtige,
rode zaaddozen.
Ook aantrekkelijk voor vogels zijn zoete kers, hazelaar, rode kornoelje, zomereik, wintereik, vuilboom en Gelderse roos. De laatste heeft een mooie bloesem en helrode bessen. Die zijn blijkbaar niet zo lekker want die blijven tot een stuk in de winter hangen. Pas als de rest op is,
zullen de vogels ervan eten. Zwarte els lokt sijsjes, haagbeuk lokt de appelvink, es de goudvink. Braambes is interessant als nestgelegenheid, evenals de gewone liguster die geurige, witte bloesemtrossen draagt als je de plant als struik laat groeien. Klimop is eveneens geschikt als vogellokker omdat de bessen pas in het voorjaar rijp zijn wanneer de andere bessen al weg zijn. Taxus, een van onze weinige inheemse naaldbomen draagt bessen die
vogels aantrekken. Let wel op: alle delen van de taxus, behalve het vruchtvlees, zijn uiterst giftig voor mens en dier, vooral ook voor paarden. Vogels, vooral lijsters, eten de bessen maar de huid van de pit wordt niet afgebroken in het verteringsproces waardoor het zijn giftigheid niet afgeeft. De zaden worden ongeschonden afgeleverd in de uitwerpselen.
Is je tuin omgeven door muren, dan kan je ervoor kiezen om klimmers tegen de muren te laten groeien. Net als de struiken vormen ze een nestelplaats en voedselvoorraad voor vogels en insecten. Er zijn tal van mogelijkheden zoals klimroos, knolcapucien, druivelaar, kiwi, klimop, olijfkomkommer, kamperfoelie, bosrank …
Laat allerlei planten bloeien en in zaad gaan. Laat die ook in de winter staan, al zijn ze verdroogd. Ze herbergen massa’s zaden en vaak ook overwinterende insecten. Zo voorzie je de vogels in je tuin van voedsel gedurende de winter als er heel wat minder beschikbaar is. De kaardenbol bloeit en draagt zaden in het tweede jaar. Tijdens de winter komen vooral mezen eten van de talrijke zaden die zich in de zaaddozen bevinden. In het Frans noemt men de kaardenbol daarom ook ‘Cabaret des oiseaux’. Grote klit trekt in het najaar putters of distelvinken, groenlingen en vinken aan met zijn zaden.
b) Insecten
Bloeiende planten trekken vele soorten insecten aan. We denken hierbij aan gewone klimop, hop, wilde wingerd, vingerhoedskruid, boerenwormkruid, wilde marjolein, grote kaardenbol, pastinaak, veldsalie, echte guldenroede, ridderspoor, look-zonder-look en nog vele andere. Bomen en struiken en uiteindelijk alle planten, trekken veel insecten aan en bieden zo een overvloed aan voedsel voor vogels.
Ook vlinders zijn insecten en in de verschillende stadia vormen ze voedsel voor vogels. Vooral rupsen komen soms massaal voor en zijn een feestmaal voor de jonge vogeltjes. Rupsen zijn echte veelvraten want ze moeten heel snel groeien en ze doen dan ook niet veel anders dan eten. Maar ze zijn wel kieskeurig, ze zijn meestal gebonden aan bepaalde planten, de zogenaamde waardplanten.
Ganzerik, bosaardbei, braam en framboos zijn voedselplanten voor de rups van de aardbeivlinder. Voor de esper zijn dat kaasjeskruid, heemst, hibiscus en aanverwante soorten. Jacobskruiskruid en klein kruiskruid zijn voedselplanten voor de mooie Sint-Jacobsvlinder. Brandnetel biedt voedsel voor de rupsen van vele vlindersoorten.
Meer info: http://www.vlinderstichting.nl/
Voor het overwinteren van insecten is het belangrijk stengels van uitgebloeide planten te laten staan tot na de winter. Ook gevallen blad en afgestorven planten laat je liefst liggen tot na de winter zodat insecten, zoals een hommelkoningin, in een holletje in de grond of in de strooisellaag kunnen overwinteren. Kaardenbol en koningskaars zijn slechts een tweetal voorbeelden van gegeerde overwinteringsplaatsen o.a. voor het lieveheersbeestje.
Plantenbeschermers
Door aromatische planten tussen groenten te zetten worden hun geuren gemengd en is er niet zo’n overheersende geur die één bepaalde soort insecten of andere dieren aantrekt. Planten die zich daar goed toe lenen zijn éénjarige, aromatische kruiden die zichzelf spontaan uitzaaien zoals o.a. dille, scharlei en koriander. Als doorlevende kruiden zijn lavendel, salie, tijm, rozemarijn en dergelijke interessant. Ze vragen weinig werk, enkel een snoeibeurt elk jaar. Het snoeisel ervan is ook goed bruikbaar als mulch.
Stikstofbinders
Stikstofbinders zijn planten waarvan de wortels in symbiose leven met bacteriën die de stikstof uit de grond omzetten in een opneembare vorm voor de plant. Symbiose is een samenlevingsvorm met wederzijds gewin. De plant levert suikers aan de bacteriën, de bacteriën leveren opneembare stikstof aan de plant. Van nature komt dit vooral voor op bodems met weinig stikstof waar de natuur op die manier erin voorziet. De bacteriën vallen de plant aan die hen inkapselt. Je kan de knobbeltjes rond de wortels van de plant zien hangen als je die uittrekt. Ook planten in de omgeving zouden er baat bij hebben.
Let wel: de meeste stikstof wordt door de plant zelf opgenomen wanneer ze in zaad gaat. Dus peulvruchten die je wil oogsten leveren niet zoveel maar toch enige stikstof aan de bodem. Het zijn vooral de vlinderbloemigen zoals peulvruchten, els, Robinia pseudoacacia en klaver
die als stikstofbinders gesignaleerd staan.
Mijnplanten of Bodemverbeteraars
Mijnplanten of bodemontsluiters zijn planten die diep in de bodem doordringen met hun wortels en zo de bodem openbreken. Zij halen mineralen diep uit de grond naar boven en maken die beschikbaar voor planten die niet zo diep wortelen. Bovendien breken ze compacte grond open en zorgen ze voor kanaaltjes waar het water doorheen kan.
Het is aangewezen ze af te snijden voor ze in zaad gaan zodat ze zich niet mateloos vermenigvuldigen. Telkens als ze worden afgesneden, heb je mineraalrijke mulch en maken ze opnieuw blad.
Enkele voorbeelden van dergelijke planten zijn heermoes, ridderzuring, distel, smeerwortel, mierikswortel en klein hoefblad.
Mulchmateriaal
Heb je een haag, heg of houtwal dan kan je de dunne takken versnipperen als mulchmateriaal. Haagsnoeisel is kant en klaar om te gebruiken. Het gevallen blad van bomen en struiken is eveneens een welkome aanvulling. Snoeihout allerhande, liefst zonder stekels of doornen, is eveneens interessant om de bodem te bedekken, niet alleen op paden maar ook op teeltbedden, rond bomen, aan de voet van bessenstruiken en frambozen.
Verdroogde stengels van kruidachtigen zoals aardpeer, koningskaars, Griekse alant en dergelijke laten zich goed versnipperen en verteren relatief langzaam net zoals houtsnippers.
Extra planten laten doorgroeien tot ze wat groter zijn, is een manier om vrij gemakkelijk over meer mulch te beschikken. Je kan het blad afsnijden, als mulch gebruiken en de plant maakt nieuw blad aan. Dat kan zo meerdere malen doorgaan. Dat lukt goed bij kleine bereklauw, die wellicht spontaan opduikt in de tuin, paardenbloem, ridderzuring, grote engelwortel en wellicht nog vele andere. Bij smeerwortel werkt dat ook zeer goed.
Afgestorven planten zoals de ranken van staakbonen en erwten, pompoenplanten, augurken, komkommers, courgetten, Oost-Indische kers en Nieuw-Zeelandse spinazie zijn allemaal nuttig. Leg ze wel telkens op een hoop zodat het licht er niet doorheen kan. Grasmaaisel is ook bruikbaar maar het mag niet te dik liggen omdat het dan gaat gisten. Gemengd met gevallen herfstblad is het een heel goede mulch.
Grondstof voor tuinbouwsels
Meestal wordt wilg gebruikt om te vlechten maar voor tuinvlechtwerk zijn hazelaar en es nog interessanter. Vers gebruikt zijn ze heel soepel en zijn ze sterker en duurzamer dan wilg. Voor minder duurzaam buitenvlechtwerk zijn ook takken van doornloze bramen geschikt.
Voor levende bouwsels zijn takken van wilg geschikt. Alle loofbomen zijn ervoor te gebruiken mits ze voorzien zijn van een wortelkluit.
Decoratieve elementen
Kardoen trekt de aandacht door de combinatie van zijn groot decoratief blad met de kleur ervan. Later zijn het de prachtige bloemen die in het oog springen.
Grote engelwortel heeft eveneens een mooi en groot blad gevolgd door prachtige zaadbollen.
Driekleurige viooltjes vormen overal in de tuin verspreid een kleurig sieraad, bijna het gehele jaar door.
Bloeiende scharlei trekt de aandacht door de geur als je er langskomt terwijl er een zacht briesje waait of wanneer je in het voorbijgaan toevallig de plant aanraakt.
Shiso met het donkerrode blad tooit zich laat in de zomer met kaarsen van lilabloemetjes. Je kan er niet naast kijken.
In de lente verspreidt de Amerikaanse zwarte bes een heerlijke geur met de gele bloemetjes.
De lichtblauwe ereprijsbloemetjes, laag bij de grond maar niet minder mooi, sieren het gazon of de open plekken in de tuin.
Kardinaalsmuts heeft in de herfst helderrode bladeren en opvallend gekleurde doosvruchten.
En dan de vele bloesems van de fruitbomen in de lente!
Dierbespreking: Kortschildkevers
Aan het werk in de tuin kom ik veel verschillende diertjes tegen van groot tot klein. Sommige welbekend, andere totaal onbekend.
De grootste groep onbekenden zijn de insecten, meer bepaald de kevers. Een groep kevers die zo klein zijn dat we ze meestal niet zien en van hun bestaan niet afweten zijn de kortschildkevers.
Grote familie van kleine kevers
Met bijna 2000 soorten vormen de kortschildkevers de grootste keverfamilie in Midden-Europa.
Het zijn over het algemeen heel kleine kevertjes, van 1 mm tot zo’n 30 mm lang. Ze zijn slank en donker gekleurd waardoor ze doen denken aan oorwormen, maar ze missen de tangen achteraan het lichaam.
Ze hebben korte dekschilden maar hun vleugels zijn vrij groot. In rusttoestand zitten de vleugels verschillende keren samengevouwen onder de dekschilden. De kevers kunnen ze snel ontvouwen en er zijn heel goede vliegers onder de kortschildkevers.
Ze hebben wel duidelijk antennes en sterke bijtende monddelen. Na bevruchting worden de eitjes in de herfst of de lente afgezet in de grond in de buurt van wortels. Dagelijks legt het vrouwtje maximum tien eitjes, in totaal zo’n honderd. De eitjes zijn ovaalvormig en slechts 0,5 mm groot.
De larven leven in de bodem of strooisellaag, de volwassen kevers lopen over het grondoppervlak. Sommige zijn dagactief, vooral de kleinste, andere zijn nachtactief.
Korstschildkevers komen wereldwijd voor. Ze leven op de grond, in strooisel, in kadavers en sommige als parasieten in mierennesten.
De soorten, die zich voeden met insecten, kunnen slechts vloeibaar voedsel opzuigen, waarvoor ze eerst een gaatje in hun prooi moeten bijten. Met hun speeksel lossen ze de inhoud op. Hun prooien bestaan afhankelijk van de soort uit larven (maden) van vliegen (o.a. wortelvlieg), bladwespen en wantsen, springstaarten en andere primitieve insecten, zoals rupsen, slakken, mijten en kleine wormen.
Zelf worden ze gegeten door spinnen, roofwantsen, loopkevers en roofvliegen, maar ook door amfibieën, vogels en vleermuizen. Ook parasitaire schimmels vormen de voornaamste belagers, maar in veel mindere mate sluipwespen en nematoden. Ook kannibalisme komt voor. (Wikipedia)
Als we dit menu bekijken dan is het duidelijk dat het welkome gasten zijn in onze tuin. Een strooisel– of mulchlaag is een geliefde biotoop voor deze tuinbewoners. Wanneer je pas begint op natuurlijke manier te tuinieren duurt het enige tijd voor een levende bodem zich heeft geïnstalleerd en er dus voldoende belagers zijn van onder andere rupsen en slakken.
De stinkende kortschild, Ocypus olens
De grootste kortschildkever die in onze streken voorkomt is de stinkende kortschild. Hij is 20 tot 32 mm lang, fel zwart en licht behaard. Het is een nachtactieve kever die zich overdag verbergt onder stenen of in gaatjes in de grond. Deze kever en zijn larve eten vooral ongewervelden zoals slakken en engerlingen.
Hij heeft stevige kaken waarmee hij zelfs door de menselijke huid heen kan bijten. Dat geeft wat irritatie maar verder is hij niet gevaarlijk, hij lijkt alleen maar zo.
Bij bedreiging richt hij zijn achterlijf en zijn kop op met geopende kaken. Hij kan uit zijn achterlijf een stinkende vloeistof spuiten als afschrikking, vandaar de naam ‘stinkende’ kortschild.
Theorie
Wie een poeltje wil in de tuin doet er goed aan eerst een en ander te bekijken, te overwegen en te plannen, je legt dat immers maar één keer aan. Hou er ook rekening mee dat een poel jaarlijks onderhoud vraagt. Hieronder volgt een systematische uitleg over aanleg en onderhoud zodat je nog vele jaren kan genieten van een poel vol leven.
De eerste stappen
De juiste plaats
De juiste plaats voor een poel hangt af van de manier waarop je hem wil vullen. Als je met een hoge waterstand te maken hebt, kies dan voor de laagste plek in je tuin. De poel vult zich dan vanzelf. Als je hem wil vullen met regenwater, kies dan voor de plek waar je met je regenwaterafvoer makkelijk naartoe kan. Hou verder rekening met invloeden van buitenaf: een akker in de buurt geeft een risico op inspoeling van modder, pesticiden of meststoffen. Dat zorgt voor overmatige algengroei en sterfte van dieren en planten. Overhangende struiken of bomen zorgen voor veel organisch materiaal in het water, een langzaam rottende sliblaag die van jaar tot jaar dikker wordt. Het rottingsproces zorgt voor een overdaad aan voedingsstoffen in het water.
Vorm en grootte
Maak de poel zo groot als je tuin het toelaat. Hoe groter en gevarieerder een poel is, hoe meer soorten dieren en planten erop afkomen, hoe minder kwetsbaar hij wordt en hoe minder onderhoud hij vraagt. Maak de oeverlijn grillig van vorm, zo creëer je meer rand tussen water en land, en zorg je voor meer biodiversiteit.
Hellingsgraad en diepte
Zacht afhellende oevers zijn geschikter dan trappen. Ze bootsen de natuur beter na en zorgen voor ideale leefomstandigheden voor plant en dier. Langs de noordelijke zijde (gericht naar het zuiden) is een ondiepe zone het interessantst, omdat daar het water snel kan opwarmen. Dit is bijvoorbeeld ideaal voor kikkers, die daar hun kikkerdril achterlaten.
Hoe dieper je de poel maakt, hoe meer watervolume hij herbergt en hoe kleiner de temperatuurschommelingen van het water zijn. Een te ondiepe poel kan in de winter volledig dichtvriezen wat voor allerlei overwinterende dieren zoals amfibieën nefast kan zijn.
Vergunning en plan
Maak een zo nauwkeurig mogelijk plan voor je begint te graven, en ga na of je een vergunning nodig hebt. Niet leuk om na tientallen kruiwagens graafwerk op de vingers getikt te worden! Plan ook tijdig, want een aanvraagprocedure kan lang aanslepen. In Vlaanderen kan je contact opnemen met de Regionale Landschappen, zij hebben heel wat poelenprojecten lopen.
Tijdstip van aanleg
Het ideale moment om met graven te starten is wanneer het grondwater het laagst staat, grofweg van juli tot september. Als je een bestaand poeltje heraanlegt, doe je dit beter in augustus of september zodat je de dieren niet stoort die willen overwinteren of zich in het voorjaar willen voortplanten.
De aanleg
Het graafwerk
De keuze voor spade of graafmachine hangt helemaal af van de grootte van je poel en je eigen energie. Als je kiest voor de graafmachine, kan je met de spade nog voor extra reliëf of grillige oeverlijnen zorgen. Door veel variatie aan heuveltjes, putten en allerlei vormen aan te brengen creëer je extra biotopen. Het graven zelf doe je best van binnen naar buiten toe. Met de uitgegraven grond kan je nog meer reliëf aanbrengen. Een heuvel aan de noordzijde van de poel is bijvoorbeeld een prima biotoop voor warmteminnende planten zoals vele kruiden. Het water weerkaatst immers de warmte naar zo’n heuvel.
Je kan zelf kiezen of je de vijver laat overlopen op één plaats of verspreid langs de hele oeverzone. Beiden kunnen interessant zijn. Een drassig uitlopend kronkelend lijntje kan interessant zijn voor bepaalde planten.
De bodem
Als je niet kan rekenen op een hoge grondwaterstand, moet je een afdichtingslaag aanbrengen in de vorm van klei of folie. Kies een stevige folie van minstens 0,8 mm dikte om het risico op lekkages te beperken. Je kan onder de folie een beschermingsmat leggen uit gerecycleerde materialen om te vermijden dat scherpe voorwerpen of wortels je folie lekprikken. Breng op de folie een laag van ongeveer 10 cm van de laatst uitgegraven grond aan.
Met klei heb ik geen ervaring, maar er wordt aangeraden om na het aanbrengen van de klei de poel meteen te vullen om barsten in de klei te voorkomen.
Kolonisatie
Je zal verbaasd zijn hoe snel nieuwe planten en dieren je poel komen bezoeken. Ik herinner me nog heel goed dat een vijver die we pas gegraven en gevuld hadden, meteen door boerenzwaluwen als drinkplaats in gebruik werd genomen. Libellen, wantsen en kevers zullen heel snel langskomen Op amfibieën moet je mogelijk langer wachten, aangezien de meesten teruggaan naar hun eigen geboortepoel. Om de kolonisatie te versnellen, kan je enkele emmers water van een poel met goede waterkwaliteit toevoegen.
Amfibieën als nuttige bewoners in je tuin
In een tuin zonder water kan je ook wel eens een amfibie tegenkomen. Maar door de aanleg van een poel of vijver kan je ze een permanent thuis geven. Amfibieën kunnen vrij snel een nieuwe poel koloniseren. In een ommuurde stadstuin is dit natuurlijk onmogelijk, maar op vele andere plaatsen heb je een goede kans. Padden en kikkers kunnen het verst trekken, salamanders blijven meestal in een straal van 500 meter rond hun geboortepoel. Amfibieën zijn heel nuttig in de tuin: ze zijn de natuurlijke vijanden van allerlei kleine diertjes zoals spinnen, insecten, naaktslakken …
Ondiep water is het uitverkoren biotoop van bruine kikkers. Zij verdragen een vrij dichtbegroeide poel, maar je vindt ze er niet zo vaak, enkel in de voortplantingsperiode zoeken ze het water op. Groene kikkers verblijven doorheen het jaar veel langer bij of in het water. Ze houden van open water in de volle zon. Het zijn deze kikkers die echte kwaakconcerten kunnen geven van mei tot augustus.
Als je een vrij grote poel aangelegd hebt, heb je ook veel kans om de gewone pad te kunnen begroeten. Ze leggen geen hoopjes dril, maar leggen hun eitjes af in lange snoeren. Tijdens winterwerkzaamheden in de tuin kan je ze terugvinden onder takkenhopen, dood hout of bladeren. Ze zijn zeer trouw aan hun geboortepoel, vandaar de jaarlijkse paddentrek.
Niet te vergeten: het onderhoud
Elk jaar in de maand oktober haal ik een deel afstervend plantaardig materiaal uit mijn poel om verlanding tegen te gaan. In die periode zijn er nog geen overwinterende amfibieën die ik kan storen. Het materiaal dat ik uit de vijver haal leg ik eerst een aantal uren of dagen op de kant zodat diertjes die nog in de hoop plantenmateriaal zitten opnieuw naar de vijver kunnen kruipen. Nadien gebruik ik het materiaal op de composthoop of als mulchmateriaal voor de winter. Door deze methode heb ik in mijn poel van stilstaand water nooit last van overmatige algengroei. Aan de randen knip of maai ik een deel van de vegetatie af. Dit is zeker nodig voor houtachtige gewassen, anders prikken die gaatjes in de folie.
Besluit
Een poel biedt een grote meerwaarde aan je tuin. Iedere tuin zou een waterbron voor dieren moeten hebben. Je vergroot het aantal nuttige dieren in je tuin die zorgen voor een stabieler evenwicht, waardoor je veel minder last hebt van plaagsoorten.
Dierbespreking: De merel (Turdus merula)
Zowat in elke tuin zijn merels te vinden, niet enkel op het platteland maar ook in de stad. Dat is niet altijd zo geweest. De merel is oorspronkelijk een typische, schuwe bosvogel die moeilijk te vinden was in de dichte struiken. Door de versnippering van bosgebieden en door de toenemende industrialisatie is de merel zich gaan aanpassen aan de mens. Zo zijn erop dit ogenblik stadmerels en landelijke merels.
Verspreiding
Merels vindt men op de Azoren, Madeira, de Canarische eilanden, in Europa, Noordwest-Afrika, Rusland, de bergstreken van Centraal Azië en het noordwesten van het Himalayagebergte en in China.
De merel is de enige van de lijsterachtigen waarbij mannetje en vrouwtje een verschillend uiterlijk hebben. Een volwassen mannetje is pikzwart met een gele oogring en een gele snavel. Hij krijgt de gele snavel in zijn eerste winter. Het is de enige zwarte vogel met een gele snavel in Europa. Het volwassen merelwijfje is donkerbruin op kop, rug en vleugels. De kin en de borst zijn lichter met onduidelijke strepen.
Paarvorming en nestbouw
Als een mannetje besloten heeft zich op een bepaalde plaats te vestigen dan verkondigt hij dat luid. Territoria van verschillende merelmannetjes grenzen vaak aan elkaar en elke eigenaar patrouilleert regelmatig langs de grenzen en verdedigt zijn territorium heftig. Tot het territorium behoort ook altijd een stuk grasveld om te foerageren. De meeste merelkoppels worden gevormd in de vroege lente, maar ‘eerst een territorium en dan pas een partner’.
Buiten het broedseizoen is het merelmannetje dominant over het vrouwtje. Pas als het vrouwtje met de nestbouw begint komt daar verandering in. Vanaf eind februari begint het vrouwtje actief te zoeken naar een geschikte nestplaats. Bij het uitkiezen houdt ze rekening met 2 aspecten: aan de ene kant moet het nest zo goed mogelijk verstopt zitten en anderzijds moet ze vanuit het nest de omgeving in de gaten kunnen houden.
Het vrouwtje bouwt het nest grotendeels alleen, het mannetje volgt haar maar brengt geen nestmateriaal aan. Het komvormige nest wordt vooral opgebouwd uit gras, mos, twijgjes en bladeren. De binnenkant wordt bezet en versterkt met aarde, klei of modder.
Voortplanting en broedzorg
Het vrouwtje legt elke dag één ei, groenig met bruine vlekken. In totaal varieert het aantal eieren van 2 tot 5, afhankelijk van temperatuur en weersomstandigheden. Het broedsucces hangt voor een groot deel samen met de weersomstandigheden. De merels hebben vooral nood aan regenwormen. Bij droogte worden de regenwormen minder actief, zitten dieper in de bodem en worden minder bereikbaar voor de merels. De hoeveelheid neerslag bepaalt zo mee de slaagkansen van het broed.
Het vrouwtje broedt de eieren uit in 13 tot 14 dagen. Het voederen van de jongen gebeurt zowel door het vrouwtje als het mannetje. De jongen verlaten het nest na 14 tot 25 dagen maar dan kunnen ze nog niet goed vliegen. Ze houden zich schuil op de grond onder struiken waarbij ze door hun roep de ouders laten horen waar ze zitten. In deze periode zijn ze zeer kwetsbaar. Stilaan worden ze sterker, kunnen beter en beter vliegen en na ongeveer 2 weken kunnen ze zelfstandig leven.
Voedsel
Merels leven van 2 soorten bodemprooien: regenwormen en larven die ze uit de bodem trekken en daarnaast oppervlakteprooien zoals spinnetjes, vliegen en andere insecten.
Het gehele jaar door zoeken merels regenwormen maar in een periode dat ze minder bereikbaar zijn schakelen ze over op ander voedsel. Van januari tot juni is de regenworm de belangrijkste voedselbron voor de merel. In de late zomer wanneer hun geliefd voedsel zoals regenwormen en larven schaarser worden, richten ze zich op allerlei fruit en bessen. Afgevallen appelen en peren zijn top voor merels.
Vanaf september foerageren merels minder op gras maar in de struiken en de strooisellaag. De merel is expert in het doorzoeken van de strooisellaag waarbij hij in de winter een belangrijke hoeveelheid bladeren, mos en aarde verplaatst. Hij is dan vooral op zoek naar kleine zichtbare insecten en andere gewervelden. Vanaf maart zoeken ze hun voedsel weer op gras.
Bosmerels voederen hun jongen overwegend met larven. De landelijke tuin- en parkmerels hebben zich aangepast aan hun omgeving en voederen hun jongen vooral met regenwormen, naaktslakken en brood.
Vijanden
Tot de natuurlijke vijanden van de merel behoren de kraai en de kauw die de eieren en de jongen verorberen. Eksters en gaaien hebben het enkel op de jongen gemunt. De bosuil valt zowel de jongen als het vrouwtje aan.
Andere vijanden zijn nog de katten die in onze tuinen rondzwerven, eekhoorns en de sperwer.
Sinds het begin van de 21ste eeuw is het usutu-virus opgedoken dat vooral zangvogels belaagt. Vooral merels zijn het slachtoffer. In Duitsland was het in 2012 dodelijk voor 300.000 merels. Hier loopt het nog niet zo’n vaart maar men houdt het in het oog. Men vermoedt dat ze op termijn immuniteit zullen ontwikkelen.
De merel maakt deel uit van het gehele web dat we in een permacultuurtuin zo rijk mogelijk willen hebben. Ook al krabt hij de strooisellaag dooreen en op de paadjes, hij hoort erbij en levert zijn bijdrage aan het geheel.
Foto

Bron: Over merels en andere kerels, Jenny De Laet, VUBpress, 2000
Toepassingen bij Yggdrasil
Wij zijn gestart met het voornemen om te tuinieren zonder het gebruik van meststoffen of bestrijdingsmiddelen, dit naar het voorbeeld van de natuur. In de natuur wordt er natuurlijk ook bemest, denk maar aan grote kuddes die massaal mest achterlaten. Dus er is wel een input in het systeem van voedingsstoffen, maar dat is niet perse nodig om een ecosysteem op te bouwen dat lange tijd vruchtbaar blijft. Er zijn plaatsen genoeg in de wereld waar er geen kuddes voorkomen en waar dierlijke bemesting beperkt is. Toch kunnen ook deze systemen enorme opbrengsten opleveren.
De opstart is gebeurd met grote hoeveelheden compost, iets wat je uiteraard als bemesting kan zien. Dat is het op zich ook wel, maar het was vooral bedoeld om een scheve situatie recht te zetten: de start op een arme grond met veel afspoeling was onmogelijk zonder enige vorm van input om het systeem op te starten. Na een 4-5 jaar was het gebruik van compost bijna nihil, waarna een periode van mulchen aanbrak. Dit was voldoende om ons gehalte aan organisch materiaal op peil te houden en zelfs nog een beetje te verhogen. Een teken dat we nog steeds meer inde bodem staken dan we eruit haalden, was erop duidde dat extra bemesting niet nodig was.
In het begin ware er nog plagen, traden er nog ziektes op en hadden we last van slakken. Maar naar gelang de jaren vorderden verdwenen deze geleidelijk, nadat we gestart zijn met lavameel was hier zelfs helemaal geen sprake meer van.
Ondertussen tuinieren wij al 25 jaar op dezelfde bodem zonder iets van meststoffen of bestrijding. En dat blijkt voldoende te zijn.
Oppassen
Toch blijft het balanceren en zoeken. Het is een evenwicht dat kan kantelen in de verkeerde richting. Zo hebben we een flink stuk van de tuin verschillende jaren gemulcht met enkel stro. Dit was een oplossing om onze tekorten aan mulchmateriaal in het begin op te vangen. Dit stro levert echter zeer weinig voedsel en bestaat vooral uit koolstof. Op zich niet slecht als basis voor het bodemleven, maar deze hebben uiteraard meer nodig. En dit merkten we ook. Na enkele jaren begon de groei op dit stuk af te nemen, de bodem werd harder. Een duidelijk teken dat er iets mis was. Het stro is ondertussen vervangen door mulchmateriaal in de vorm van blad, gras, hooi, houtsnippers en oogstresten. De structuur verbetert weer, zij het langzaam. De plantengroei is wel al terug op het oude niveau.
Door met mensen te praten, door veel te lezen, ben ik ervan overtuigd dat je een systeem moet opbouwen waar er weinig stikstof in aanwezig is. Stikstof is een krachtige groeistimulator, maar heeft veel negatieve effecten indien het overmatig aanwezig is. En door onze moderne manier van leven is stikstof alom tegenwoordig. Zonder iets zelf toe te voegen heb je meer dan voldoende stikstof aanwezig in je bodem. Zodra je zelf actief stikstof toevoegt, heb je overschotten en krijg je problemen met je bodemvoedselweb en de gezondheid van je planten.
Tunieren zonder bemesting, de bestrijding zal vanzelf achterwege blijven. Verzorg uw bodem en je zal merken dat al de rest na verloop van tijd ook volgt en zonder problemen groeit. Planten kunnen niet tegen fastfood (chemische meststoffen), zijn heel gevoelig voor stress en hebben wat oefening nodig om sterk te worden.
Theorie
Hieronder kan je een reeks van video’s bekijken waar de basisprincipes van het systeem van schijnbare chaos in worden uitgelegd. Je hoort ongetwijfeld ook al wat extra informatie, maar daar gaan we in de theorie en de komende webinar dieper op in.
Video 1
In deze eerste video bekijk ik het ontstaan van dit systeem. Hoe wij begonnen zijn, via welke zoektocht we bij de principes uitgekomen zijn en hoe een insect in de natuur zijn voedsel of plaats voor eitjes zoekt.
Video 2
Hier bekijk ik de 6 factoren waaruit het systeem van schijnbare chaos bestaat. Allereerst heb je de 4 factoren die in de eerste video werden bekeken: kleur, geur, textuur en volume. Daarnaast komt ook de tijd en het principe van randen om de hoek piepen.
Video 3
Hier gaat het niet meer echt over de manier van combineren, maar eerder over de voordelen je meekrijgt wanneer je op deze manier combineert. Allereerst naar slakken toe, want dat blijkt toch een groot probleem te zijn bij velen. En naast het vertragen en verminderen van slakkenvraat is er nog een hele rits voordelen die je helpen in je tuin eens je op deze manier gaat combineren.
Video 4
In deze laatstee video van de reeks bekijk ik hoe goed (of slecht) insecten zien en wat dit betekent voor je tuin en manier van combineren. Daarnaast kijk ik ook naar de praktijk van het inrichten van je bedden, maken van golven … Ook een heel deel combinaties komt aan bod zodat je al een beter idee krijgt hoe je best te werk gaat.
