
Voor veel mensen is een moestuin een plek om groenten te kweken, opbrengst te hebben en, al dan niet gedeeltelijk, zelfvoorzienend te zijn. Ik kan me daarin vinden en dat is uiteraard ook belangrijk. Maar ik vind dat een (moes)tuin in het algemeen toch ook voor veel andere doeleinden kan worden ingezet. Als je mij al een tijdje volgt, dan weet je dat. Zeker in onze huidige tijd is de tuin een ideale plek om tot rust te komen, te ontspannen, te observeren en even alles naar de achtergrond te verdringen om gewoon in het moment te zijn.
Het brein en de amygdala
In deze podcast wil ik er wat wetenschappelijker op ingaan waarom je gemakkelijker tot rust komt als je in je tuin bezig bent. Om te beginnen gaan we eens kijken naar onze hersenen. Diep daarin zit een klein, amandelvormig gebiedje weggestoken: de amygdala. Dat is een soort emotioneel controlecentrum dat instaat voor onze vecht- of vluchtreactie. Je kan het een beetje zien als een rookalarm dat de omgeving continu scant op gevaar. Het is de plek waar al onze sensorische waarnemingen samenkomen. Vervolgens bepaalt de amygdala of je in de stress moet schieten en je lichaam vol moet pompen met cortisol en adrenaline, zodat je kunt vechten of vluchten.
Vroeger was dat zeer nuttig, maar in onze huidige maatschappij is dat wat diffuser geworden. Doordat we constant gebombardeerd worden met allerlei prikkels – denk aan reclameboodschappen, verkeer, drukte en werkstress – staat dat alarm eigenlijk continu aan. Daardoor is de amygdala constant overactief, wat ervoor zorgt dat we snel gestrest raken en moeilijk tot rust kunnen komen.
Een evolutionair perspectief op wildplukken
Afgelopen week heb ik het boek The Wilderness Cure van Mo Wilde gelezen. Daarin gaat zij de uitdaging aan om een jaar lang enkel te leven van wat ze kan wildplukken. Dus niets kopen en niets zelf kweken, maar enkel overleven op wat ze in haar ruime omgeving in het wild kan vinden. Ze onderzoekt wat dat met je lichaam doet, of het mogelijk is in onze huidige maatschappij en wat de effecten ervan zijn. Ze beschrijft haar dagelijkse zoektochten naar eten, hoe ze zich voelt en wat ze allemaal meemaakt.
Ze vertelt onder andere dat je tot rust komt als je aan het zoeken bent naar voedsel in een tuin, in het bos of op het strand. Dat valt evolutionair te verklaren. Onze voorouders, de jager-verzamelaars, moesten constant uitkijken voor gevaarlijke dieren en andere bedreigingen. Maar als je goed wilde observeren of er ergens iets eetbaars te vinden was, moest je je daar volledig op kunnen concentreren. Die focus was voor de amygdala het signaal dat de omgeving veilig was. Er waren op dat moment geen wilde dieren in de buurt, waardoor er tijd en ruimte was om rustig voedsel te verzamelen. Het stelde de amygdala gerust. Als je nu in je tuin bezig bent met wildplukken, onkruid wieden of het observeren van insecten, dan geef je eigenlijk een vergelijkbaar signaal af aan het paniekcentrum in je hersenen. De boodschap is: het is veilig, er is tijd en ik kan me in alle rust met deze zaken bezighouden. Daardoor laat de amygdala je even met rust en ontspan je.
‘Soft fascination’ en observeren
Ik ben daar wat verder op gaan zoeken op het internet. Blijkbaar activeer je je visuele schors en prefrontale cortex – het logische, denkende deel van je hersenen – wanneer je echt bewust iets observeert om patronen te herkennen of dingen te vinden. In de permacultuur stimuleren we dat ook sterk: bewust kijken naar dingen zonder er direct een oordeel over te vellen of je meteen van alles af te vragen. Gewoon kijken naar hoe een insect vliegt, of geconcentreerd zoeken naar een specifiek onkruid voor je salade.
Omdat je hersenen maar moeilijk met meerdere bewuste taken tegelijk bezig kunnen zijn, remt dit de amygdala af. Een bekend voorbeeld hiervan is autorijden. Als je vaak dezelfde route naar je werk aflegt, kan het gebeuren dat je plots op je bestemming bent zonder dat je beseft dat je een half uur gereden hebt. Je hersenen proberen die routine te stroomlijnen en sluiten bepaalde prikkels buiten, omdat het anders veel te vermoeiend wordt. Iets gelijkaardigs gebeurt er als je geconcentreerd in je tuin bezig bent. In de wetenschap noemt men dit ‘soft fascination’ of zachte fascinatie. Doordat je aandacht wordt opgeslorpt door een gerichte, rustige activiteit of observatie, wordt het paniekcentrum in je hersenen gekalmeerd of zelfs even ‘uitgezet’. Zo ontspan je dus in de tuin.
Verwondering en symbiose
Naast het tot rust komen, vind ik observeren om nog een andere reden enorm belangrijk. Als je goed kijkt naar wat er gebeurt in je tuin – hoe het met de bodem gesteld is, waarom de ene plant goed groeit en de andere niet, of welke insecten en vogels er rondvliegen – dan verzamel je informatie die kan bijdragen aan het ontwerp van je tuin. Maar het doet voor mij nog meer: het wekt mijn nieuwsgierigheid.
Dat las ik ook in dat boek, waarna ik verder ging zoeken. Waarom vliegt een bepaalde vlinder nu al rond? Of waarom hangen die vervelende insecten in het voorjaar altijd in wolkjes boven het pad en vliegen ze in je gezicht? Als je je afvraagt waarom dat gebeurt, kom je bijvoorbeeld uit bij de levenscyclus van meivliegen. Ik vind dat een fantastisch onderdeel van tuinieren. Het wakkert je nieuwsgierigheid aan en brengt die kinderlijke verwondering terug – of geeft je de kans om die bot te vieren. Ik raak altijd weer gefascineerd door de complexiteit van de natuur. Als je je erin verdiept, ontdek je soms zeer verrassende samenwerkingen.
Omdat ik de laatste tijd veel aan het schilderen en klussen was voor de naderende opening van mijn winkel, heb ik veel naar luisterboeken geluisterd. Zo luisterde ik naar een boek over kolibries. Daarin kwam terloops ter sprake dat er mijten op kolibries kunnen zitten. We kennen allemaal wel schadelijke bloedmijten bij kippen, en ook kolibries kunnen last hebben van schadelijke mijten in hun veren. Maar blijkbaar is er ook een samenwerking met een ander soort mijt. De schrijfster van het boek kweekte jonge, gevonden kolibries op. Toen zij een mijt op de snavel van een jong zag lopen, raakte ze niet in paniek, in tegenstelling tot een onervaren collega die dacht dat de vogel in gevaar was. Ze hield simpelweg een bloem bij het snaveltje, de mijt sprong over op de bloem en was verdwenen.
Er is namelijk een soort mijt die in bloemen leeft van nectar en stuifmeel. Als daar te weinig voedsel is, of als ze met te veel zijn, wachten ze tot er een kolibrie langskomt. Ze springen dan op de snavel en ‘liften’ zo mee naar een volgende bloem waar de omstandigheden beter zijn. Deze soorten zijn samen geëvolueerd. De mijten gebruiken de vogel als transportmiddel en zouden zonder de kolibrie misschien niet kunnen bestaan.
Dat vind ik een heel speciaal en fascinerend voorbeeld van symbiose. We kennen uiteraard de samenwerking tussen schimmels en bomen, maar dit is zó specifiek uitgewerkt dat je het haast niet zou kunnen verzinnen. Ik vind het heerlijk en fascinerend om daarover te lezen.
De reis is mooier dan de bestemming
Nu hoeft het natuurlijk niet altijd zo exotisch en speciaal te zijn. Ook in je eigen achtertuin gebeurt er van alles, maar je ontdekt het pas als je echt observeert. Als je de tijd neemt om naar de dingen te kijken, erover na te denken, dingen op te zoeken, met anderen te praten en te experimenteren. Dat is voor mij een belangrijk deel van tuinieren. Persoonlijk vind ik dat proces zelfs belangrijker dan de uiteindelijke opbrengst.
Daarom is het pure oogsten voor mij ook niet het allerbelangrijkste en steek ik daar minder energie in. Ik ben gewoon graag in de tuin aan het werk.
Zoals het gezegde luidt: de reis is mooier dan de bestemming. Voor mij geldt dat absoluut als het over tuinieren gaat.
Wat je hierboven leest, is een transcriptie van de podcast. Deze tekst bevat de hoofdpunten van de opname, maar is altijd beknopter dan het origineel. Wil je het volledige verhaal, met alle details, dan kan je best de opname bovenaan beluisteren!
Wil je het in je auto, tijdens het sporten of tuinieren beluisteren, dan is het misschien handig om dit via mijn Spotify-kanaal te doen: Je Eigen Perfecte Tuin
Geef een reactie