Een tijd geleden kreeg ik een interessante vraag over de optimale hoeveelheid organische stof in een moestuinbodem. Ik vertel in mijn podcasts vaak hoe wij vroeger zijn begonnen met een erg slechte bodem, waar nauwelijks organisch materiaal in zat, met een beroerde structuur en zonder enig bodemleven.
Door het structureel toevoegen van organisch materiaal hebben we dat niveau geleidelijk omhoog gebracht. Afhankelijk van de metingen zien we de laatste jaren dat ons organisch stofgehalte vaak rond de 5 tot 6 procent ligt, en op sommige plaatsen zelfs uitschieters heeft naar 8 procent.
De vraag die ik kreeg luidde: “Je geeft aan dat jouw grond varieert tussen de 3 en 8 procent, maar wordt de grond bij een nóg hoger organisch stofgehalte niet juist droger en stoffiger? En welk percentage is volgens jouw ervaring ideaal?”. Omdat dit om een diepgaandere, wat meer wetenschappelijke uitleg vraagt die je niet één-twee-drie geeft, leek een volledige podcast over dit onderwerp me een goed idee.
Het huidige probleem bij lange droogte
Dit vraagstuk is perfect te kaderen in een probleem waar wij momenteel in zeer lange, droge periodes zelf tegenaan lopen. Onze bodem is op zich uitstekend: we hebben een goede structuur, planten groeien er perfect, we hebben geen last van plagen of ziektes en we hoeven bovendien nooit meer te bemesten. Maar als het héél lang droog blijft, krijgen we toch problemen en moeten we uiteindelijk water geven.
We zouden de periode die we nu zonder water kunnen overbruggen – zo’n drie weken – het liefst nog verder verlengen, zodat we in principe helemaal niet meer hoeven te sproeien. In theorie zou de bodem, met zijn hoge gehalte aan organisch materiaal, zelf voldoende water moeten kunnen vasthouden én in langdurig droge perioden water vanuit de diepte naar boven moeten kunnen trekken.
Een teveel aan compost in de toplaag
Uit een experiment bleek echter dat de bovenste 20 tot 25 centimeter van onze grond flink is veranderd. Doordat we destijds zijn gestart met een compostgift en ondertussen al bijna dertig jaar intensief mulchen, is die toplaag eigenlijk getransformeerd in een dikke compostlaag. Het is misschien wat overdreven gesteld en uiteraard zit er nog wel wat grond tussen, maar pas daaronder begint de ‘echte’ bodem.
In theorie wordt mulchmateriaal door organismen en bodemdiertjes de grond ingetrokken en gemengd – dat noemt men bioturbatie – maar in de praktijk ligt de snelheid van dat proces veel lager dan het tempo waarin wij ons mulchmateriaal aanbrengen. Hierdoor krijg je een opeenstapeling van puur, verteerd plantenmateriaal. Dit levert een situatie op die mijns inziens toch wat verbetering kan gebruiken.
De ideale ondergrens (het omslagpunt)
Vanaf welk moment spreken we dan over een ideaal gehalte aan organische stof?. Dat is lastig te beantwoorden, aangezien bodemsoorten en plaatselijke omstandigheden sterk verschillen. Toch zijn er enkele belangrijke richtlijnen te geven. Ik heb dit jaar veel over dit onderwerp gesproken met andere bodempioniers, en er blijkt een soort universele ondergrens te zijn.
Zodra je met je organisch stofgehalte boven de 3 procent komt, verbeteren je bodemstructuur en het bodemvoedselweb aanzienlijk. Vanaf dat moment lijken veel zaken ineens vanzelf te gaan: plaagproblemen verminderen drastisch, bemesten is veel minder noodzakelijk en de bodem houdt vocht veel gemakkelijker vast. Dit is ook wat we vaak horen van mensen die onze cursus volgen.
In de eerste jaren hebben ze soms nog wat last van slakken, onkruid of matig groeiende planten, maar vaak bereiken ze na een jaar of drie, vier een omslagpunt. De tuin tilt zichzelf naar een hoger niveau, problemen verdwijnen stilaan en alles groeit plotseling beter. Een percentage van rond de 3 procent is dus een erg belangrijke minimale streefwaarde.
Is méér altijd beter? (De bovengrens)
Vanaf dat omslagpunt blijf je mulchen, verhoog je het organische stofgehalte en zal je bodemleven blijven floreren. Maar is er ook een bovengrens? Vroeger had ik gezegd van niet: ‘hoe meer, hoe beter’. Inmiddels weten we dat dit vaker níét dan wel opgaat; er is wel degelijk een optimum, een gulden middenweg. Heb je eenmaal te veel organisch materiaal, dan gaat de functionaliteit juist weer bergafwaarts.
Ik vermoed dat het maximale optimum ergens rond de 8 tot 10 procent ligt. Ga je daar overheen, dan duiken er allerhande problemen op. Dit is precies waar wij nu mee zitten: die bovenste laag heeft bij ons een gigantisch hoog organisch stofgehalte. Dat is vrijwel pure compost en ligt waarschijnlijk rond de 10 tot 15 procent. Je merkt dit echter niet direct aan een officiële bodemanalyse. Een bodemstaal wordt namelijk met een pin tot wel 30 of 40 centimeter diepte in de bodem geprikt en vervolgens over de hele tuin gemengd. Daardoor toont de uiteindelijke analyse een gemiddelde van bijvoorbeeld 7 of 8 procent, wat een ietwat vertekend beeld geeft van de pure compost in de toplaag waar je planten effectief in wortelen.
Welke problemen ontstaan er bij te véél organische stof?
Wanneer je zulke hoge percentages bespreekt, wat zijn dan de specifieke problemen die naar voren komen?.
- Uitspoeling van voedingsstoffen? Vaak wordt als argument genoemd dat veel mulchen leidt tot uitspoeling van voedingsstoffen. Daar hoef je volgens mij geen schrik voor te hebben. Je bodemleven verbruikt al enorm veel voedingsstoffen en bovendien staan humus en compost er juist om bekend dat ze die voedingsstoffen in grote hoeveelheden aan zich kunnen binden.
- Verlies van het klei-humuscomplex: Een veel reëler probleem ontstaat doordat je enorme hoeveelheden organisch materiaal laat verteren zónder dit voldoende te mengen met mineralen, zoals zand, klei en leem. De binding tussen die mineralen en de plantenresten verzwakt, waardoor je het cruciale ‘klei-humuscomplex’ verliest dat juist voor stevigheid zorgt. Zolang pure compost vochtig is, behoudt het een luchtige structuur en is er niets aan de hand. Droogt het echter compleet uit, dan verliest het álle structuur en wordt het poederig en los, vergelijkbaar met zand of uitgedroogde potgrond uit de winkel.
- Waterafstotend (hydrofoob) effect: Als potgrond of pure compost helemaal uitdroogt, neemt het extreem moeizaam nieuw water op. Geef je het water, dan loopt dat er simpelweg vanaf. Je moet de aarde dan echt langdurig in water onderdompelen om het weer doordrenkt en wateropneembaar te krijgen. Dit komt doordat organisch materiaal – zoals harsen, vetzuren en plantenwassen – hydrofoob is. Bij voldoende vocht steken de waterminnende (hydrofiele) moleculen naar buiten, maar zodra het vochtgehalte onder een kritisch punt zakt, keren deze zich om en steekt het waterafstotende deel naar buiten. De bodem beschermt zo het laatste beetje vocht dat nog in de kruimels zit, maar dit zorgt er dus ook voor dat een nieuwe regenbui simpelweg wordt afgestoten.
- Verlies van capillaire werking: Een minerale bodem met veel zand, klei of leem is behoorlijk zwaar (1,3 tot 1,6 gram per kubieke centimeter). Pure compost is soms wel drie keer zo licht. Hierdoor wordt de bodem veel te luchtig en de afstand tussen de deeltjes te groot. De kleine ‘zuigbuisjes’ in de grond breken af, waardoor de bodem zijn capillaire werking verliest. Hij is dan simpelweg niet meer in staat om grondwater vanuit de diepte naar de wortels toe te zuigen.
- Verstoorde nutriëntenuitwisseling: Te weinig organisch materiaal zorgt voor tekorten, maar 5 tot 8 procent blijkt ideaal om water en voedingsstoffen niet alleen vast te houden, maar ook weer soepel uit te wisselen met de plant. Ga je boven de 10 procent, dan ontstaat er een chemische onbalans. Door instabiliteit bij schommelingen in vocht en temperatuur, krijg je problemen met die belangrijke uitwisseling van voedingsstoffen.
Conclusie en de oplossing
Tien jaar geleden kenden we eigenlijk nog geen lange, droge zomers. Als het twee of drie weken warm was, volgde er steevast een stevig onweer. We ondervonden toen dan ook nooit de problemen die we in de huidige zomers wél meemaken. Pas als de bodem tegenwoordig extreem lang uitdroogt, bereikt hij dat kritische punt: hij wordt waterafstotend, trekt geen vocht meer uit de diepte omhoog en de plantenwortels in de toplaag staan droog.
Mijn conclusie is daarom dat je een minimum organisch stofgehalte van zo’n 3 tot 3,5 procent moet nastreven om van voordelen als structuurverbetering, ziekteresistentie en de overbodigheid van bemesting te genieten. Streef echter naar een optimum tussen de 5 en 8 procent, en blijf zeker onder die 10 procent. Het is absoluut essentieel dat je altijd voldoende kleimineralen, zand of leem ín je organische materiaal hebt zitten om dat belangrijke klei-humuscomplex en de bijbehorende structuur te behouden.
Ben je bang dat je, door jarenlang mulchen, over dat optimum heen aan het gaan bent? Dan is er een simpele oplossing. Wij gaan er dit jaar vermoedelijk ook mee experimenteren: strooi in de winter, óf tijdens het mulchen, wat kleikorrels over je bedden. Gebruik absoluut geen gebakken hydrokorrels, maar pure kleimineralen die oplossen in contact met water. Zo zorg je ervoor dat er altijd voldoende mineralen tussen je mulchmateriaal doorsijpelen en behoud je de overgang en de structuur in die steeds dikker wordende organische toplaag.
Wat je hierboven leest, is een transcriptie van de podcast. Deze tekst bevat de hoofdpunten van de opname, maar is altijd beknopter dan het origineel. Wil je het volledige verhaal, met alle details, dan kan je best de opname bovenaan beluisteren!
Wil je het in je auto, tijdens het sporten of tuinieren beluisteren, dan is het misschien handig om dit via mijn Spotify-kanaal te doen: Je Eigen Perfecte Tuin

Ja , ik heb dit voorjaar na jaren veel te hebben gemulcht, een aantal bedden die vol winterpostelein stonden terug gespit.