Een hele tijd geleden heb ik het al eens gehad over onkruid in de tuin. Ik heb toen uitgelegd dat wij een systeem hanteren waarmee we de onkruiddruk vrij gemakkelijk laag houden. Door regelmatig alles te passeren, zorgen we er in principe voor dat er nooit onkruid in het zaad komt, waardoor we altijd relatief weinig onkruid in onze tuin hebben. Mocht je dat interesseren, dan kun je die podcast zeker nog eens terugluisteren.
Maar hoe pakken wij nu stukken aan waar wél veel onkruid staat? En wat doen we met echt hardnekkige soorten, zoals brandnetels, bramen en zevenblad? Daar wil ik het in deze podcast graag over hebben.
Wat is onkruid eigenlijk?
Als je het over onkruid hebt, is het goed om eerst te bekijken wat onkruid in een tuin eigenlijk is, want dat is uiteraard zeer subjectief. De definitie van onkruid is simpelweg: een kruid dat ergens groeit waar je het liever niet hebt. Wat de één onkruid noemt, is voor de ander een nuttig kruid. Ook wij gebruiken veel ‘onkruiden’: we oogsten ze om door een slamengeling te doen, klaar te maken en op te eten.
In hoeverre jij dit soort kruiden in je tuin tolereert of zelfs integreert—omdat je ervan oogst, omdat ze mooi bloeien of op een andere manier bijdragen—moet je uiteraard zelf bepalen. Toch blijf ik van mening dat het hoofddoel van een moestuin ligt bij het oogsten van (voornamelijk eenjarige) groenten. Mijn advies aan beginners die nog leren werken met een polycultuur en intensief combineren, is daarom altijd: focus je eerst op het goed kweken en oogsten van groenten, en laat de speciale soorten en echte onkruiden voorlopig zoveel mogelijk buiten de bedden.
Start bijvoorbeeld met bekende kruiden zoals dille, goudsbloem, rucola en koriander. Deze groeien wat rustiger, bieden je mooie geuren en kleuren in combinaties, en hun nut is overduidelijk. Wat meer onkruidachtige soorten, zoals paarse dovenetel, paardenbloem, stinkende gouwe, engelwortel, toorts of veldkers (belangrijk voor bestuivers en vaak eetbaar), kun je in een latere fase introduceren.
Maar óók hier is mijn advies: houd ze liever uit je groentebedden en plantenbakken, en laat ze langs de randen van je paden of moestuin groeien. Veel onkruiden hebben namelijk de neiging om explosief te groeien, groot te worden en zich massaal voort te planten.
Denk maar aan de paardenbloem: schitterend voor de eerste bijen en heerlijk (zeker als gebleekte ‘molsla’ onder een pot), maar zodra die pluizige zaadbol uitwaait, heb je jarenlang een explosie aan paardenbloemen waar je enorm veel werk aan hebt. Wij hebben dat door schade en schande geleerd, en proberen die soorten inmiddels goed onder controle te houden door ze echt in de randen te houden.
De gouden regel: Voorkom het zaad!
Er is een bekend gezegde onder tuiniers: ‘Wie één jaar zijn onkruid laat staan, moet zeven jaar uit wieden gaan’. En dat klopt! Onkruid op zich is geen probleem, pas als het in het zaad komt en zich massaal uitzaait, beginnen de moeilijkheden. De allereerste tip is dus: probeer te voorkomen dat het in het zaad komt.
Kom je terug van vakantie en ontdek je dat veel onkruid toch in zaad aan het schieten is? Begin dan niet overal direct met uittrekken om zo je weg door de moestuin te banen. Loop eerst snel door de tuin en knip álle zaadpluimen en zaadbollen af. Doe deze voorzichtig in een emmer. Zo voorkom je verdere uitzaaiing (het meest kwalijke deel) en koop je tijd om de rest rustig uit te trekken.
Hoe pak je kleine kiempjes aan?
Het is natuurlijk altijd beter om onkruid in een vroeg stadium aan te pakken. Maar soms waait er ineens heel veel zaad in. Denk aan wilgenpluis dat als een laagje sneeuw op natte compostgrond landt, waardoor je in één klap talloze piepkleine wilgjes hebt. Dat één voor één uittrekken is onbegonnen werk.
Een handige tip voor dit soort veldjes met heel veel kleine kiempjes: wrijf ze gewoon kapot. Zeker als je mulcht, wortelen ze vaak nog losjes in die mulchlaag en niet in de vaste bodem. Trek een handschoen aan en wrijf in een droge periode (al werkt het ook in een natte periode) gewoon goed over die kiempjes. Lichte beschadiging zorgt er al voor dat ze uitdrogen. Zo ruim je snel en eenvoudig 80 tot 95% van die kiempjes uit de weg.
Kom een week of anderhalve week later nog eens kijken en trek de weinige overlevenden er gemakkelijk met de hand uit. Piepkleine kiempjes kun je trouwens ook perfect verstikken door er simpelweg een laagje mulch overheen te leggen; ze missen de reserves om daar nog doorheen te groeien en sterven af.
De hardnekkige gevallen: Brandnetel, zevenblad en bramen
Zodra we naar groter, meerjarig onkruid kijken, wordt het een ander verhaal. Maar ook hier is het vaak relatief eenvoudig aan te pakken.
- Brandnetels: Trek je hieraan in een harde, zware grond, dan breek je alleen de stengel af, schiet de plant weer uit, en blijf je bezig. Hoe wij het doen? We proberen de plant met een spitvork eerst wat op te lichten om de wortels los te maken. Vaak krijg je een stuk wortel mee, en de rest blijft zitten. Vervolgens leggen we er een flinke laag mulch op. De brandnetel zal ongetwijfeld weer uitschieten, maar vormt zijn nieuwe wortels nu in die losse, voedzame en vochtige mulchlaag. Als je de plant dan later weer met je spitvork oplicht, trek je een véél groter deel van die nieuwe én oude wortels soepel mee. Met deze methode put je de plant sterk uit en ben je hem na twee à drie keer mulchen in één seizoen vaak volledig kwijt.
- Zevenblad en winde: Dit zijn moeilijke planten met breekbare, lichte worteltjes die bij het minste of geringste afbreken en weer uitschieten. Volg ook hier dezelfde strategie: oplichten met de spitvork, uittrekken en dik mulchen. In tegenstelling tot brandnetels (die vanuit één punt groeien), heeft zevenblad een weidvertakt wortelnetwerk. Echt helemaal wegkrijgen is een enorme uitdaging die vaak twee tot drie jaar onderhoud vraagt. Door te mulchen verwaarloos je echter de oudere, diepe wortels en haal je nieuwe aangroei gemakkelijk weg. Wij houden zevenblad langs onze paden op deze manier succesvol in toom met één of twee beurten per jaar.
- Penwortelonkruiden: Denk aan zuring en berenklauw. Deze dikke penwortels (die recht naar beneden gaan of onmogelijk vertakken) zijn heel makkelijk te verslaan zónder je rug te breken of de grond te moeten omspitten. Neem een spade, zet die vlak naast de plant op de grond en steek hem schuin naar beneden onder de plant door. Als je de wortel zo’n vijf tot tien centimeter onder de grond doorsnijdt, heb je het groeipunt te pakken. Je licht het bovenste stukje simpelweg op. Het onderste deel van de wortel blijft zitten, loopt niet meer uit omdat het groeipunt weg is, en verteert langzaam als voeding voor het bodemleven. Supersnel en effectief!
- Bramen: Ook de braam groeit vanuit zo’n centraal punt. Lange scheuten buigen af naar de grond en wortelen daar opnieuw in. Ben je er vroeg bij, dan trek je ze makkelijk uit. Maar bij een oud, gigantisch wortelstelsel is dat onmogelijk. Gebruik ook hier je spade! Steek aan twee kanten rondom dat groeipunt schuin naar beneden om de wortels door te snijden. Trek vervolgens het groeipunt eruit (vaak inclusief nog flink wat andere wortels). Wat in de bodem achterblijft, groeit zelden meer uit. Doe dit in het voorjaar, in de zomer en in het najaar. Op één seizoen kun je zo een compleet overwoekerd stuk grond vrij krijgen. En uiteraard helpt mulchen ook hier enorm om de wortels oppervlakkiger te houden.
Over onkruid is nóg veel meer te vertellen. Zoals gezegd kun je die oude podcast er nog eens bij pakken voor ons basissysteem van onkruid vermijden. In één van de volgende podcasts ga ik waarschijnlijk in op wat je (en wat je zéker niet!) kunt doen met al dat geoogste onkruidmateriaal!
Wat je hierboven leest, is een transcriptie van de podcast. Deze tekst bevat de hoofdpunten van de opname, maar is altijd beknopter dan het origineel. Wil je het volledige verhaal, met alle details, dan kan je best de opname bovenaan beluisteren!
Wil je het in je auto, tijdens het sporten of tuinieren beluisteren, dan is het misschien handig om dit via mijn Spotify-kanaal te doen: Je Eigen Perfecte Tuin

Geef een reactie