
Ik ben, zoals je misschien al wel weet, aan mijn nieuwe boek aan het werken en het onderwerp is de bodem. Lang heb ik erover getwijfeld of dat wel nodig zou zijn, maar ik heb gemerkt in mijn jaar bij de bodempioniers dat er toch wel veel kennis opkomt, dat er nog veel verkeerde informatie bekend is of gedeeld wordt, en dat er echt wel heel veel nieuwe onderzoeken zijn die aantonen dat we het op sommige vlakken beter kunnen doen of anders moeten aanpakken om beter voor onze bodem te zorgen.
Als je met iets start, ga je altijd kijken in het verleden hoe we uitgekomen zijn waar we nu zijn, en er zijn toch wel wat verrassende feiten of verhalen op te tekenen.
Edo-periode in Japan
Een daarvan is bijvoorbeeld Japan in de Edo-periode, rond 1600, een periode die 250 tot 270 jaar liep. Voor die periode waren er veel problemen in Japan: een tijd van constante oorlogen, heel veel gekapt hout, heel veel erosie, problemen met de vruchtbaarheid van de grond, dalende landbouwopbrengsten en uiteraard als resultaat daarvan hongersnood.
In de Edo-periode is dat stilaan veranderd en heeft men een heel systeem van recyclage, van duurzaamheid en behoud ingevoerd. Men is heel sterk op het recycleren van producten gaan inzetten om op die manier de bodem terug op te bouwen. Bodemzorg was een heel belangrijk onderdeel van die economie en dat heeft ervoor gezorgd dat men op die eilanden, zonder enige input van buitenaf, die bodems heel snel heeft kunnen verbeteren en daarna ook heel lang goed heeft kunnen houden. Men is begonnen met het recycleren van al het organisch materiaal, waaronder ook menselijke uitwerpselen. Men had niet veel dieren in Japan, dus moest men het met die zaken doen. Alles wat van het veld kwam, werd gewoon hergebruikt en gerecycleerd. Dat zorgde ervoor dat de bodems heel snel verbeterden en men daar terug grote opbrengsten had.
Men had herbossingsprogramma’s om de grond terug vast te houden, breidde de kennis over landbouw heel sterk uit en zorgde ervoor dat men over een heel lange periode die bodems goed kon houden, iedereen kon voeden en dat er voldoende welvaart was. Dat was allemaal te danken aan simpele bodemzorg en het verbeteren van de kwaliteit.
Jethro Tull als start
Je vindt ook verhalen over wat het begin is geweest van ons klassieke landbouwsysteem. Een belangrijke naam daarin is Jethro Tull, een Engelse landbouwpionier die heel sterk inzette op mechanisatie van de bodem. ‘Horse-hoeing husbandry’ was zijn publicatie, waarin hij zegt dat je heel veel moet ploegen. Zijn idee was dat planten de bodem opeten, en hoe fijner die bodemdeeltjes zijn, hoe beter de plant zijn voeding kan opnemen. Hij was dus voorstander om verschillende keren per jaar te ploegen en zeker géén organisch materiaal toe te dienen, want dat hielp volgens hem niks.
Dat veelvuldig ploegen, samen met zijn sterke inzet op mechanisatie (zoals zaaimachines), werd overgenomen omdat het natuurlijk een enorme efficiëntieboost gaf. In die tijd namen velen dat idee over, maar dat leverde een heel slechte bodem op: heel weinig organisch materiaal en volledige verslemping van de bodem bij regen.
Dat heeft eigenlijk het pad geëffend naar de huidige manier van werken. Boeren kregen steeds slechtere opbrengsten omdat het organisch stofgehalte zeer laag werd. Vergeet niet dat men toen nog geen chemische meststof had. Als je dan 50, 60, 70 jaar massale bodembewerking uitvoert zonder organisch materiaal, kun je begrijpen dat die bodems helemaal uitgeput waren, wat leidde tot tekorten.
In die periode kwam eigenlijk een andere reddende figuur, Justus von Liebig. Dat is degene die de wet van het minimum bekend heeft gemaakt en de opmars van meststoffen heeft ingezet. Zijn idee was dat planten niet de bodem opeten, maar de voedingsstoffen ín de bodem. De voedingsstof die het laagst aanwezig is, beperkt de groei, waarbij de drie belangrijkste (NPK: stikstof, fosfor en kalium) de opbrengst spectaculair konden verhogen als je die ging toevoegen.
Dat bracht de zoektocht naar meststoffen op gang, in het begin vooral naar dierlijke mest en guano (vogelmest), wat een boost gaf aan de landbouw. Met de wereldoorlogen werd veel onderzoek gedaan naar oorlogsvoering. Al die fabrieken en logistiek waren er na de oorlog, en werden omgevormd voor de landbouw. Dat heeft gezorgd voor veel mechanisatie na de Tweede Wereldoorlog en massaal gebruik van meststoffen en pesticiden, wat we de ‘groene revolutie’ noemen. Maar dat brengt ons ook in ons huidige systeem, waar er steeds grotere problemen zijn met bodemvruchtbaarheid, bodemerosie en plagen.
Twee stromingen
Dit toont aan dat er verschillende paden zijn. Waar men kiest voor natuurbehoud en bodemverbetering, blijven systemen soms duizend jaar stabiel en kan de beschaving haar succes hooghouden. Waar men kiest voor intensieve bodembewerking zonder rekening te houden met organisch stofgehalte en bodembedekking, merk je vaak dat die bodem na enkele decennia of honderden jaren compleet onbruikbaar wordt, wat leidt tot voedseltekorten, hongersnoden, opstanden en vaak de ondergang van een beschaving.
We zitten nu al lang in een stroming waar ploegen belangrijk is en organisch stofgehalte grotendeels verwaarloosd werd, maar we komen stilaan aan het einde daarvan. De huidige manier van landbouw loopt op zijn eind, en we schakelen stilaan over op een duurzamere, regeneratieve manier van landbouw, richting bodemherstel. Vaak worden we hiertoe gedwongen; de landbouw na de Tweede Wereldoorlog was een dwingende oplossing voor voedselvoorziening, en in Japan moesten ze wel omdat ze waren afgesloten. Nu kiezen we terug voor regeneratie omdat onze bodems simpelweg zo slecht zijn dat we bijna niet anders kunnen.
Achterhaald, voorbijgestreefd, mythe, nuancering …
Soms worden theorieën heel populair, die achteraf toch niet zo accuraat blijken te zijn. Een daarvan is bijvoorbeeld van Elaine Ingham, de drijvende kracht achter het idee van het bodemvoedselweb. Dat concept klopt uiteraard en zij heeft de complexiteit ervan begrijpelijk gemaakt voor het grote publiek.
Maar zij vertelde ook over de balans tussen schimmels en bacteriën, wat in mijn ogen en volgens recent wetenschappelijk onderzoek toch niet klopt. Zij had een theorie dat elke soort plant een specifieke ‘sweet spot’ had van bacteriën en schimmels. Bij kruiden, sla en wortelen was dat bijvoorbeeld een evenwicht van 0,3 schimmel op 1 bacterie. Dat zorgde ervoor dat je heel veel moest gaan testen en planten niet mocht combineren, omdat de verhoudingen anders moesten zijn.
Ik heb dat toen direct betwijfeld, omdat wij in onze intensieve combinatieteelt groenten kweekten in houtsnippers, wat in theorie een compleet verkeerde schimmel-bacterieverhouding zou moeten hebben, maar in de praktijk toch perfect werkte.
Nu blijkt dat haar theorie inderdaad niet klopt; de ‘sweet spot’ is eigenlijk een verhouding van één op één (evenveel schimmels als bacteriën). Je moet dus zeker ook met materiaal zoals blad en houtsnippers werken om schimmels te verwelkomen, en spitten is geen optie omdat dat je schimmelpopulatie laat afnemen. Besef dat theorieën soms achterhaald zijn. Haar theorie was niet compleet verkeerd, maar de schimmel-bacterieverhouding is niet zo strikt als zij liet uitschijnen; de plant zelf oefent ook een grote invloed uit op de lokale verhouding rond zijn wortels. Hoe dat verhaal juist zit, wordt helemaal uit de doeken gedaan in het boek.
Een ander verhaal dat ik regelmatig lees en hoor, is dat een bodem bijvoorbeeld 10 tot 20 procent pathogene (slechte) bacteriën bevat, 10 tot 20 procent goede bacteriën, en dat de rest opportunisten zijn. Als de slechte de bovenhand halen, sluiten de opportunisten zich daarbij aan en gaat je plant stuk; als de goede de overhand hebben, doen de opportunisten mee en groeit je plant goed. Dat is een zeer ruwe en foute veralgemening.
Als je 10 tot 15 procent pathogene bacteriën in je bodem zou hebben, zou er niks meer groeien, zelfs geen onkruid. Normale concentraties van pathogene bacteriën liggen in een goede bodem op zowat 0,001 procent. Die gaan nooit de overhand halen of alle opportunisten naar hun kant trekken. Waarom wordt dit dan verteld? Vaak zit dat in de sfeer van mensen die producten willen verkopen die vol goede bacteriën zitten of die die bacteriën stimuleren. Maar dat is iets wat je eigenlijk helemaal zelf kan doen en waar je geen geld aan moet geven. Als je zorgt dat er voldoende organisch materiaal in je bodem zit, krijg je vanzelf heel veel goede bacteriën en een uitgebreid bodemvoedselweb met een goede structuur, waardoor er gewoon geen plaats is voor slechte bacteriën.
Die toevoegingen kunnen hooguit nuttig zijn als opstart of boost bij een heel slechte, dode bodem, maar als je eenmaal vertrokken bent, is dat compleet overbodig. Er zitten miljarden organismen in één theelepeltje bodem, dus dat beetje product dat je erbij doet, gaat absoluut geen invloed hebben op die gigantische hoeveelheid. Dat is een verkoopspraatje en geldverspilling, net zoals men vroeger vertelde dat je compoststarter moest toevoegen, terwijl die bacteriën al massaal op je planten zitten.
Achtergond maakt een groot verschil
Ik ben al een hele tijd aan het praten, dus ik zal het hierbij houden. Deze podcast was eigenlijk bedoeld om te vertellen dat het boek er is om te zorgen dat je weet wat er allemaal in die bodem gebeurt en leeft. Niet op de klassieke manier verteld, maar diepgaander, met voorbeelden over hoe de bescherming van planten tegen pathogenen is opgebouwd en hoe bodemleven constant met elkaar samenwerkt of elkaar tegenwerkt. Ik heb geprobeerd om de laatste inzichten in het boek te steken, zodat je goed weet wáárom iets wat je doet (zoals spitten of mulchen) een bepaald effect heeft in dat ondergrondse, donkere stuk van je tuin.
Het theoretische gedeelte is helemaal af en ligt bij de redactie om te worden nagelezen. Als je geïnteresseerd bent in een boek over de bodem, met veel nieuwe, verrassende zaken en waarin oude mythes en theorieën sterk genuanceerd worden, hou dan zeker de website of je mailbox in de gaten. Een van de volgende weken start de voorverkoop. Het is de bedoeling om het tegen het einde van de winter helemaal af te hebben en ergens in de loop van maart of begin april te versturen.
Wat je hierboven leest, is een transcriptie van de podcast. Deze tekst bevat de hoofdpunten van de opname, maar is altijd beknopter dan het origineel. Wil je het volledige verhaal, met alle details, dan kan je best de opname bovenaan beluisteren!
Wil je het in je auto, tijdens het sporten of tuinieren beluisteren, dan is het misschien handig om dit via mijn Spotify-kanaal te doen: Je Eigen Perfecte Tuin
Geef een reactie